De Palmentuin

 

even geduld a.u.b.

Abutilon (Malve)

Abutilon x Hybridum, niet winterhard

Abutilon Megapotamicum, vorstgevoelig

 

even geduld a.u.b.

Acacia Dealbata (Mimosa)

vorstgevoelig

 

 

even geduld a.u.b.

Agapanthus (Zuid-Afrikaanse Lelie)

Agapanthus, groenblijvend, niet winterhard

Agapanthus, bladverliezend, vorstgevoelig

 

Agaves

 

 

 

Albizia Julibrissin Rosea (Zijdeboom)

half winterhard

 

 

Amaryllis Belladonna (Belladonna-lelie)

vorstgevoelig

 

 

Arbutus Unedo (Aardbeiboom)

half winterhard

 

 

Asimina Triloba (Pawpaw)

 

 

 

Bamboe

 

 

 

Butia Capitata (Kokospalm of Jellypalm)

vorstgevoelig

 

 

Cactussen en Succulenten

 

 

 

Callistemon (Lampenpoetser)

 

 

 

Camellia Japonica (Camelia)

half winterhard

 

 

Canna (Bloemriet)

niet winterhard

 

 

Chamaerops Humilis (Dwergpalm)

Chamaerops Humilis Cerifera

vorstgevoelig

 

Clerodendrum Bungei (Kansenboom)

vorstgevoelig

 

 

Cordyline Australis (Geluksplant of Ti-boom)

half winterhard

 

 

Crinum x Powellii (Tuinamaryllis)

vorstgevoelig

 

 

Cupressus Sempervirens (Italiaanse Cypres)

Cupressus Arizonica (Cypres)

winterhard

 

Cycas (Palmvaren)

Cycas Panzihuaensis

niet winterhard

 

Cynara Cardunculus (Kardoen)

vorstgevoelig

 

 

Cynara Scolymus (Artisjok)

half winterhard

 

 

Dicksonia Antarctica (Boomvaren)

niet winterhard

 

 

Erica Arborea (Boomheide)

half winterhard

 

 

Eriobotrya Japonica (Japanse Mispel of Loquat)

winterhard

 

 

Erythrina Crista-Galli (Koraalstruik of -boom)

vorstgevoelig

 

 

Eucalyptus (Gomboom)

Eucalyptus Dalrympleana

Eucalyptus Glaucescens

Eucalyptus Gunnii

Eucalyptus Niphophila

Eucalyptus Pauciflora

Eucalyptus Perriniana

half winterhard

 

Eucomis (Ananasplant of Kuiflelie)

niet winterhard

 

 

Euphorbia Amygdaloides (Wolfsmelk)

Euphorbia Sikkimensis

winterhard

 

Fatsia Japonica (Vingerplant)

half winterhard

 

 

Feijoa Sellowiana (Ananasguave)

niet winterhard

 

 

Ficus Carica (Vijg)

half winterhard

 

 

Fremontodendron Californicum (Flanelstruik)

vorstgevoelig

 

 

Fuchsia (Bellenplant)

Fuchsia Camposportoi

Fuchsia Excorticata

Fuchsia Magellanica Alba

Fuchsia Magellanica Aurea 

Fuchsia Magellanica Versicolor

Fuchsia Magellanica Thompsonii

Fuchsia Procumbens

vorstgevoelig

 

Ginkgo Biloba (Japanse Notenboom)

winterhard

 

 

Gleditsia Triacanthos (Christusdoorn)

winterhard

 

 

Gunnera Manicata (Mammoetblad)

Gunnera Magellanica

niet winterhard

 

Hebe (Struikveronica)

Hebe Purple Queen

Hebe Ochracea (takken niet snoeien vanwege taksterfte) vorstgevoelig

 

Hedychium Gardnerianum (Siergember)

vorstgevoelig

wortelkluit gedeeltelijk bovengronds, op tijd afdekken!

 

Heuchera Micrantha (Purperklokje)

vorstgevoelig

 

 

Hosta (Hartlelie of Funkia)

Hosta Fortunei

Hosta Hybride August Moon

Hosta Sieboldiana

winterhard

 

Houttuynia Cordata Chameleon (Doku-Dami of Moerasanemoon)

winterhard

 

 

Hydrangea (Hortensia)

Hydrangea Hybriden

Hortensia Annabelle

Hydrangea Petiolaris (Klimhortensia)

winterhard

 

Indigofera Hetarantha (Indigostruik)

winterhard

Heester oorspronkelijk uit de Himalaya

 

Jubaea Chilensis (Honingpalm)

vorstgevoelig

 

 

Juglans Regia (Walnoot of Okkernoot)

winterhard

 

 

Lagerstroemia Indica (Crepe Myrtle)

Lagerstroemia Speciosa

vorstgevoelig

 

Lapageria Rosea (Chinese Belbloem)

vorstgevoelig

 

 

Laurus Nobilis (Laurier)

half winterhard

 

 

Lavandula Angustifolia (Lavendel)

vorstgevoelig

 

 

Lavatera Thuringiaca (Struikmalva)

vorstgevoelig

 

 

Maclura Pomifera (Osagedoorn)

winterhard

 

 

Magnolia Grandiflora (Magnolia)

winterhard

 

 

Metasequoia Glyptostroboides (Watercypres)

winterhard

 

 

Miscanthus Sinensis Gracillimus (Chinees Riet)

Miscanthus Sinensis Morning Light

winterhard

 

Morus (Moerbei)

 

 

 

Musa Basjoo (Banaan)

Musa Ensete

Musa Hookerii

Musa Yunan, variant waarbij eerste blad rood is

Musa Sicamensis, met rode vlekken op het blad

niet winterhard, op tijd inpakken!

 

Myrtus Communis (Mirte)

vorstgevoelig

 

 

Nandina Domestica (Hemelse Bamboe)

half winterhard

 

 

Nerine Bowdenii (Kliplelie)

vorstgevoelig

 

 

Opuntia Humifusa (Schijf- of Vijgcactus)

vorstgevoelig

 

 

Oxalis Adenophylla (Klaverzuring)

vorstgevoelig

 

 

Passiflora Caerulea (Passievrucht)

ook bekend als Blauwe Passiebloem

vorstgevoelig

 

Phoenix (Dadelpalm)

Phoenix Canariensis

Phoenix Dactylifera

vorstgevoelig

 

Phormium Tenax (Nieuw-Zeelands Vlas)

Phormium Tenax Jack Pratt

Phormium Tenax Purpureum

vorstgevoelig

 

Phygelius Capensis (Kaapse Fuchsia)

vorstgevoelig

 

 

Pinus Pinaster (Zee-Den)

winterhard

 

 

Pinus Pinea (Parasol-Den)

half winterhard

 

 

Pittosporum Tobira (Australische Laurier)

half winterhard

 

 

Poncirus Trifoliata (Tuinsinaasappel)

winterhard

 

 

Punica Granatum (Granaatappel)

vorstgevoelig

 

 

Quercus Ilex (Steeneik)

winterhard

 

 

Rhapidophyllum Histrix (Naaldpalm)

winterhard

 

 

Rheum Palmatum (Russische Rabarber)

Rheum Palmatum Atrosanguineum

winterhard

 

Ricinus Communis (Wonderboom)

zéér giftig, voor kinderen zelfs dodelijk!

niet winterhard

 

Ruta Graveolens (Wijnruit)

winterhard

 

 

Sabal (Struikwaaierpalm)

Sabal Minor, half winterhard

Sabal Palmetto, vorstgevoelig

 

Saxifraga Stolonifera (Moederplant)

winterhard

 

 

Soleirolia Soleirolii (Slaapkamergeluk)

vorstgevoelig

 

 

Sophora Japonica (Honing- of Pagodeboom)

winterhard

 

 

Sophora Tetraptera (Kowhai)

Sophora Tetraptera Grandiflora

half winterhard

 

Tamarix Ramosissima (Tamarisk)

winterhard

 

 

Taxodium Distichum (Moerascipres)

winterhard

 

 

Thymus Vulgaris (Tijm)

Thymus Praecox (Kruiptijm)

winterhard

 

Tiarella Wherryi (Schuimbloem)

winterhard

 

 

Tolmiea Menziesii (Kindje op moeders schoot)

half winterhard

 

 

Trachelospermum Jasminoides (Sterjasmijn)

half winterhard

 

 

Trachycarpus Fortunei (Waaierpalm of Henneppalm)

Trachycarpus Wagnerianus

Chamaerops Excelsa

half winterhard

 

Wisteria Sinensis (Blauweregen)

winterhard

 

 

Yucca (Palmlelie)

winterhard

 

 

Zantedeschia Aethiopica (Witte Aronskelk)

niet winterhard

 

 

Acacia Dealbata

 

Een Australische boom die tot 7 meter hoog kan worden, verdraagt zo'n 5 graden vorst. De boom is wintergroen, eigenlijk zijn de bladeren meer zilvergroen. Ze kunnen bij extreme hitte als luxaflex draaien. De bloemetjes zijn geel (mimosa), de knoppen verschijnen in de herfst. De grond moet goed doorlatend zijn maar wel vocht kunnen vasthouden. Er verschijnen nieuwe cultivars op de markt als: Acacia Dealbata "Subalpina", deze zou tot 17 graden vorst kunnen verdragen.

 

terug naar encyclopedie

 

Agapanthus

 

De Agapanthus groeit zowel in warmere als koudere streken. De soorten die in koudere gebieden groeien zijn voor ons klimaat en voor onze tuinen het meest interessant. Deze planten groeien in het wild vaak op de koele berghellingen. Deze planten zijn in de winter vaak bladverliezend, wat een eigenschap is die aanduidt dat de plant goed tegen koude kan. Deze soort doet het dus ook erg goed als tuinplant – zelfs beter dan als kuipplant. Dat betekent nog niet dat ze winterhard zijn, maar met een adequate winterbedekking komen ze goed de winter door. In een zachte winter kan de Agapanthus zelfs zonder bedekking.

                                                       

Hoofdsoorten:

Agapanthus Campanulatus

Agapanthus Caulescens

Agapanthus Coddii

Agapanthus Praecox

Agapanthus Inapertus

Agapanthus Africanus

 

Voor een leek is het ondoenlijk om alle soorten uit elkaar te houden. Zelfs voor de kenners is het niet gemakkelijk. Zo zijn er wintergroene en bladverliezende planten. De lelie is er overwegend in twee kleuren, wit en blauw, maar daarnaast zijn er diverse kleurnuances van lichtblauw tot dieppaars en van buiten egaal van kleur en van binnen gestreept. De hoogte verschilt van 20 centimeter tot 2 meter. De bloemsteel kan naargelang de soort 12 tot wel 100 bloemkelken hebben, die om de beurt in groepen na elkaar bloeien en dus een langere bloeitijd hebben. Ook de bladdiversiteit loopt uiteen: het blad kan lijken op een pol gras, maar ook de omvang aannemen van een clivia. Er zijn ook planten met bonte bladeren.

 

Andere kenmerken van de Agapanthus zijn:

kogelronde bloem of juist afgeplat;

gekleurde meeldraden, geel, zwart of paars; staande in de bloem of juist eruit stekend;

de hoeveelheid bloemen, de grootte van de bloemen en het aantal bloemblaadjes (meestal 6 maar meer kan ook);

de bladkleur: bontbladig het hele jaar door of alleen in het voorjaar, goudgeel in het voorjaar, mooie glimmende bladeren, opstaande bladeren of hangende bladeren;

de knoppen kunnen geelachtig zijn en de ander dieppaars. Het uitkomen gebeurt uit 1 bloemknophuls of 2 even grote hulsbladeren;

de bloemstelen kunnen ook nog van kleur verschillen. Bij het uitkomen kunnen de knoppen een lichtroze kleur aan de top hebben. In de meeste bloemkelken ten slotte loopt een streep die soms doorzichtig is of dan weer geel, blauw of witgeaderd

de bloemen kunnen lichtblauw tot paars zijn en van vroeg tot laat bloeien. Zelfs na de bloei is het nog niet over, want de ene plant laat zijn bloemen vallen, de andere maakt een prachtige bol met zaaddozen die op hun beurt weer prachtig van kleur kunnen zijn.

 

Waar u op moet letten bij het kiezen van een soort is of de goede naam erbij staat. De Agapanthus Africanus kunt u beter gewoon laten staan - dat is in feite de algemene handelsnaam die niets zegt (in de vakliteratuur “Agapanthus Rubbish” genoemd). Ook zijn er de hybriden; planten die voortkomen uit zaad. Die kunnen heel mooi zijn maar zijn niet soortecht omdat het zaad erg variërend is. Een echte goede plant wordt verkregen door stekken, scheuren of weefselkweek.

Een tip: als u wilt weten of u te maken hebt met een gezaaide of gestekte plant moet u kijken naar de basis van de aangeboden plant. Bij stekken zijn de bladstelen gelijk van kleur; bij zaailingen zijn er rode en groene bladstelen te zien. Dit kan zelfs in een pot te zien zijn, u hebt dan te maken met 2 planten die samen zijn opgepot.

 

De Agapanthus komt als kuipplant nog het meeste voor, die in de winter vorstvrij moet worden weggezet. Een enkele graad vorst deert de planten ook nog niet eens, als ze maar droog staan. Water geven hoeft dan niet, de vlezige wortels bevatten veel water waar ze de hele winter genoeg aan hebben. Wat ook kan is de planten onder de fundering van het huis wegzetten. Dat is een goede plek, maar haal ze wel op tijd naar boven anders heeft u een pot vol wit lof.

Ook kunt u ze ingraven in de tuin, maar niet als u een hoge grondwaterstand hebt. Ze lopen dan wel iets later uit maar dat is niet zo erg. Leg een dikke laag stro over de potten waar de nieuwe neuzen in kunnen ontwikkelen en markeer de plek waar ze zitten, anders vindt u ze niet meer terug.

De beste manier van oppotten is in een plastic bloempot. Een aardewerk pot of een houten kuip kan ook, maar hou er rekening mee dat de wortels zo sterk zijn dat ze potten kunnen laten barsten door hun groeikracht.

De groenblijvende Agapanthus mag wel een beetje meer licht hebben en mag ook 1 à 2 keer water hebben tijdens de winter. Vorstvrij wegzetten in de schuur of garage.

De plant is in de winter dan wel niet veeleisend, dat is in de zomer wel iets anders. Ze staan graag te kijk in de volle zon en drinken voor twee. Goed water geven dus. Tel regenbuien niet mee, het water valt eigenlijk allemaal naast de pot.

Planten die slecht bloeien hebben over het algemeen in het vorige jaar te weinig zon gehad. Ze maken dan al weer de bloemen aan voor het volgende jaar. Zet slecht bloeiende planten niet in een verdomhoekje maar vooral in de brandende zon. Hou ook rekening met de planten in de volle grond - laat ze niet overwoekeren en geef ze een winterdek van afgevallen blad met een schep grond er over voor het wegwaaien. Nooit plastic of noppenfolie!

De voeding kan bestaan uit van alles en nog wat: gedroogde koemest is altijd oké, dit bestaat doorgaans uit 10-4-8-NPK-stikstof-fosfor-kalium. Voor een goed bloeiresultaat kunt u kunstmest 7-14-28-NPK gebruiken. Dat is niet de meest gangbare dus even goed zoeken. Bemesten moet 2 keer per seizoen en niet later dan september.

 

terug naar encyclopedie

 

Agaves

 

De Agaven verdienen veel aandacht omdat zij gevoelig voor vocht zijn en minder weerstand hebben tegen ons klimaat. De voorbereiding en verzorging van de agaven dient dan ook optimaal te zijn.

De agave op de foto is veel kleiner dan de bekende agaven (Agave Americana), die in kuipen worden gekweekt, maar ze zijn zeker de moeite van proberen waard.

Planten zijn moeilijk te verkrijgen maar gelukkig kunnen ze gemakkelijk worden vermeerderd uit zaad of door het afnemen van uitlopers. Wacht wel met uitplanten totdat de plantjes een redelijk formaat hebben. Deze agaven hebben voor zover mij bekend nog geen zaden gemaakt in Nederland, trouwens als ze gaan bloeien dan sterft de bloeiende plant af. De uitlopers blijven wel leven.

Agaven, die aanmerking komen:

Agave Utahensis afkomstig uit Nevada, Arizona, Californië en Utah (V.S.), de bladeren zijn 2 á 3 cm. breed en de rozet wordt ongeveer 30 cm. in doorsnede. Gedrongen groei, vooral bij Agave U. Utahensis. Er zijn nog een paar ondersoorten: Agave U. Eborsipina, Agave U. Kaibabensis en Agave U. Nevadensis.

Agave Parryi heeft korte brede bladeren eindigend in een scherpe bruine stekel. Ook deze mooie plant groeit compact. Ook hier zijn een aantal ondersoorten: Agave P. Couesii, Agave P. Huachucensis, Agave P. Parryi, Agave P. Trunctata.

Nog een paar mooi agaven, die het proberen waard zijn: Agave Toumeyana, Agave Schottii.

 

terug naar encyclopedie

 

Albizia Julibrissin “Rosea”

 

Deze bladverliezende soort komt oorspronkelijk uit subtropisch Azië, maar wordt als laanboom in de subtropen aangeplant in de vollegrond kan het een boom 7 m hoog worden.

Maar ook in Nederland is de cultivar Albizia Julibrissin "Rosea" goed tegen onze winters bestand. Het is een prachtige subtropische boom; de bladeren, die een acacia-achtige vorm hebben, vouwen zich iedere avond samen, daarom noemt men de Albizia ook wel slaapboom.

De boom kan vanaf juli tot aan de eerste vorst penseelachtige geurende roze gekleurde bloemen ontwikkelen. Deze bloemen zien er bijzonder exotisch uit, kortom een juweel voor iedere liefhebber van de subtropische tuin. Let er wel op dat u de cultivar "Rosea" aanplant, want de soort is minder winterhard, dan de cultuvar!

Verzorging: Albizia Julibrissin houdt van een warme zonnige plek op het zuiden. Plant ze in een goed doorlatende grond, die liefst neutraal van samenstelling is.

Vermeerdering: Zaad kiemt gemakkelijk en is redelijk gemakkelijk verkrijgbaar, ook van de "Rosea".

 

terug naar encyclopedie

 

Arbutus Unedo

 

Er zijn drie soorten aardbeibomen: Arbutus Andrachne en Arbutus Unedo, deze komen uit het Middellandse Zeegebied. De derde komt uit Noord-Amerika en heet Arbutus Menziesii. Alle Arbutusssoorten  krijgen een prachtige afschilferende bast.

De aardbeienboom bloeit in de wintermaanden met overhangende trossen bloemen. Helaas in onze koude winters betekent het verlies van de witte urnvormige bloemetjes door de vorst. Bij een heel zachte winter kunnen de bloemetjes behouden blijven.

Als de bloemen gespaard blijven kunnen in de zomer de prachtige citroengele onrijpe vruchten verschijnen, die later een prachtige rode kleur krijgen. Met een beetje geluk worden ze rood, en zijn ze rijp en eetbaar. De smaak is echter niet om ever naar huis te schrijven.

Verzorging: Arbutus houdt van een licht zure grond, die goed doorlatend is maar niet helemaal uitdroogt. In de winter is afdekken met vliesfolie voldoende. Bij strenge vorst zal er ook bij voldoende afscherming tegen de schrale wind wel vorstschade aan de bladeren optreden. In het ergste geval zelfs schade aan de twijgen of zelfs takken. Een zonnige standplaats wordt zeer gewaardeerd.

Vermeerdering: Door zaaien of door kopstekjes die onder plastic bij een temperatuur van 20-25°C aan de wortel gebracht worden.

 

terug naar encyclopedie

 

Asimina Triloba

 

Een plant die niet zozeer exotisch is qua uiterlijk, maar wel wat smaak betreft, is de Asimina Triloba ofwel de Pawpaw. Het is een in ons land een nauwelijks bekende struik/boom. En zelfs bij de groenteboer zult u de naar banaansmakende vruchten niet vinden. Met de winterhardheid is het bij deze plant beter gesteld dan de Musa (banaan), hij is afkomstig uit het oosten van de Verenigde Staten en wil zelfs nog wel eens zo hier en daar in Canada groeien. De plant is daar zeldzaam geworden door de verstedelijking.

De vruchten zijn zeer gezond. Er zit twee keer zoveel vitamine C in als in een appel, verder bevat de vrucht vitamine D, eiwitten, calcium, fosfor, magnesium en ijzer. Zelfs voor de medische wetenschap heeft deze plant betekenis, hij herbergt taxol, een stof die ook in de taxus zit. Alleen is de taxol in de Pawpaw veel werkzamer en dus goed bruikbaar bij de bestrijding van sommige soorten kanker.

De plant heeft twintig centimeter lange glanzend groene bladeren, die drie centimeter breed zijn. De paarse bloemen geuren prettig. De struik/boom wordt zo'n drie à vier meter hoog en krijgt een piramidale vorm. Als de bladeren in de herfst geel kleuren, eind september begin oktober, dan is het tijd om de ca. tien centimeter. lange vruchten te oogsten. De vrucht ziet er uit als een aardappel met een sterk aroma en kan wel 500 gram wegen. De vrucht blijft na de pluk enkele dagen vers, hoewel hij donker kan verkleuren.

Er moeten wel altijd een mannetje en een vrouwtje worden uitgeplant want anders komen er geen vruchten! De pitten kunnen gezaaid worden. Om tot een goede oogst te kunnen komen moet de boom op een zo warm mogelijke plaats worden gezet. En de zomer moet ook warm zijn.

 

terug naar encyclopedie

 

Bamboe

 

Bamboe is een zeer goed bruikbaar gras is iedere tuin. Bamboe geeft een instant exotisch effect, zonder dat alle bamboes tropisch of subtropisch zijn. Het uiterlijk van veel soorten doet echter wel direct aan een tropische of subtropische plant denken. Echter veel soorten zijn zeer winterhard en ook nog wintergroen. Vooral deze twee kenmerken maken de bamboe tot een topper voor de subtropisch ogende tuin van het type jungle.. Zo kan een bamboe tegelijkertijd exotisch aandoen én winterhard en wintergroen zijn, hij kan zelfs een goede beschermer zijn van teerdere soorten door bijv. het aanplanten van een bamboehaag rond minder winterharde planten.

De meeste bamboesoorten houden van een zonnige standplaats, maar er zijn ook soorten, die liever in de schaduw of halfschaduw staan.

Eén van de redenen om dus met bamboe te beginnen is de winterse "dood" uit uw tuin verdrijven met een prachtig wuivend, berijpt, groene bos met tere blaadjes. Het bamboe gewas "leeft" in tegenstelling tot andere wintergroene planten, die er vaak stijfjes bijstaan.

Een ander geweldig voordeel is dat er vrijwel geen enkele andere plant zo gemakkelijk is. Iedere grondsoort wordt geaccepteerd en met een beetje oude paardenmest groeit 'ie  je binnen de kortste keren ver boven 't hoofd. De grond moet wel vocht vast kunnen houden (indien nodig mulchen), maar mag nooit kletsnat zijn!

Het is ook een milieuvriendelijke plant, we hebben nog nooit een grammetje vergif hoeven gebruiken om de planten te vrijwaren van ongedierte.

Vrijwel iedere tuin is geschikt voor 't planten van één of meerdere bamboes. Hoewel er  wel soorten zijn die aan het "wandelen" kunnen slaan. Heeft u ruimte zat dan kunt u zo'n plant wel laten wandelen en misschien wel tot een bos laten ontwikkelen, maar anders moeten er voorzorgsmaatregelen genomen worden. Bijv. een oude speciekuip van z'n bodem ontdoen en ingraven en daarin de bamboe planten (denk wel om de bemesting). De bamboe wortelt tot ongeveer 60 centimeter diepte, de hoogte van de wortelbegrenzer dient ongeveer die hoogte (diepte) te hebben.

 

Bamboe botanisch

Maar eerst even kijken waar de bamboes van nature groeien:

De meeste komen voor in Azië  van de Koerillen tot Indonesië, verder komen ze op alle werelddelen voor behalve Europa (ook de polen zijn niet begroeid met bamboe). Hoewel ze voor de ijstijden hier schijnbaar wel hebben gegroeid, maar na de ijstijd kon de plant zich niet zonder menselijke hulp over de  bergen en zeeën heen bewegen.

 

Wortelstok of rhizoom

Onder de grond beweegt de plant zich door middel van rhizomen, die lijken qua bouw op de stengels. Ze zijn erg taai, vlezig en worden beschermd door schutbladen, om niet al te zeer beschadigd te raken door obstakels in de grond.

Een rhizoom groeit verder als de stengels, die op de rhizoom moesten uitgroeien echt zijn uitgegroeid. (Stengels groeien binnen 1 à 3 maanden naar volwassenheid).

De rhizomen bevatten reservevoedsel, dus zijn onontbeerlijk om tot een volwassen plant uit te groeien, wat zo'n 5à 6 jaar duurt.

Op de knopen bevinden zich de wortels om het water en voedsel daadwerkelijk uit de grond op te nemen. Dit geheel vormt tezamen een heel stevige  flexibele mat.

Soms worden taluds met bamboe beplant om erosie tegen te gaan. Er zijn  trouwens ook soorten, die ook luchtwortels maken.

De diepte van beworteling verschilt per soort maar gaat niet dieper dan 1 meter.

Sympodiale groei betekent, dat de rhizomen dik en stevig zijn en dicht op elkaar groeien. Deze planten vormen pollen.

Monopodiale groei de eindknoppen van de rhizomen groeien horizontaal ("wandelen") de okselknoppen maken nieuwe spruiten die boven de grond uitgroeien tot stengels. Deze rhizomen zijn dunner dan de  eerder genoemde collega's, De stengels zijn vaak dikker dan de rhizomen.

Amfipodiale groei is een combinatie van de bovenstaande groeiwijzen.

 

Stengel

De stengel is een van de belangrijkste onderdelen om Bamboe te determineren, want bloeien doen ze gelukkig maar sporadisch (naamgeving is een lastig karwei want als er één plantengeslacht is waar spraakverwarring heerst dan is het bij de Bamboes).

De stengel bestaat uit segmenten (leden), die als bamboespruit in herfst en winter "stiekem" onder de grond wordt ontwikkeld, als een antenne in elkaar geschoven is, in de knop op het rhizoom. Maar als het voorjaar komt dan schuift de antenne zich uit met een enorme  kracht. Er is alleen sprake van lengtegroei, er is geen sprake van diktegroei. De hoofdmoot van voedsel komt uit de voeding, die het vorig groeiseizoen door de bladerkroon is gemaakt.

De stengel bestaat uit cellulosevezels van ca. 1 cm. lang en bestaan verder uit lignine en silicaten (kiezel). De vezels zijn langer dan bij andere houtige gewassen dus de  stengels zijn zeer buigzaam en sterk. Het is te gebruiken van papierpulp tot wapening van beton toe!

De stukjes stengel van knoop tot knoop, heten internodiën, de afstand tussen de knopen is van soort tot soort verschillend.

Ook de stengels hebben schutbladen (ter bescherming)als ze uit de grond komen, soms blijven die lang aan de stengels hangen.

De dikte en de lengte van de  stengels verschilt van soort tot soort en natuurlijk ook van de standplaats. In  Nederland worden niet de hoogtes gehaald die  op zuidelijker breedtes worden gehaald. Ons groeiseizoen is korter/kouder. Een hooggroeiende soort wordt in Zuid-Frankrijk 10 meter en bij ons misschien 6 meter.

Ook de kleuren en vormen van de stengels zijn sterk verschillend:

* groen, geel, bruin, zwart, gevlekt, gestreept

* gaaf of gegroefd

* rond, afgevlakt tot bijna vierkant

* met bollingen of zigzaggend

Aan de buitenkant van de stengel zit vaak een holling (sulcus), soms heeft deze een andere kleur dan de rest van de stengel.

De meeste stengels zijn hol, enkele Zuidamerikaanse soorten uitgezonderd (Chusquea), die hebben massieve stengels.

De zijtakken kan als volgt indelen. Per internodie (stuk tussen twee knopen/verdikkingen):

Eén zijtak voor Sasa, Pseudosasa en Indocalamus.

Twee zijtakken voor Phyllostachys meestal is één van de twee  zijtakken sterker ontwikkeld.

Drie zijtakken voor Fargesia, Pleioblastus, Semiarundinaria en Shibatea.

Ze zijn vooral belangrijk voor het indelen naar geslacht.

 

Blad

Bamboe is een gras en het blad van de plant lijkt op een blad van gras. Alleen heeft het bamboeblad een bladstengel, bij slechte weersomstandigheden kan het blad zich buigen. De bladstengel zit vast aan het schutblad (anders dan bij bomen), vaak zijn er daar haartjes te zien, die voorkomen, dat water naar binnen loopt en rotting veroorzaakt. Het eten van de behaarde  bladeren schijnt een martelmethode geweest te zijn in China. In het lichaam leveren die weerhaakjes enorme irritaties op. Sommige bamboesoorten hebben sterk ontwikkelde haren.

De bladeren zitten opgerold om de zijscheut, als de zijscheut groeit ontrollen de bladeren zich. De hele zomer lang ontwikkelen zich nieuwe bladeren, die ongeveer twee jaar meegaan.

 

Standplaats

In principe staan de meeste Bamboes liefst op een beschutte plaats, waar harde (koude) wind geen kans heeft. Iets wat voor alle wintergroene planten geldt. De meeste soorten staan graag in de zon, en minder winterharde of wintergroene soorten moeten op een goed beschutte plek staan.

Vooral in het voorjaar, als het 's nachts nog hard kan vriezen en overdag temperaturen dik boven nul zijn, is de kans op uitdroging niet gering, vooral als ook de bodemgesteldheid niet goed is. De grond moet goed bewerkt en bemest worden alvorens de bamboe wordt gepoot. U dient te streven naar een goed doorlatende maar vochthoudende  (niet natte!) neutrale grondsoort.  De plant stelt een mulchlaag zeer op prijs na verloop van tijd zorgt de ruiende plant zelf voor een mulchlaag.

 

Snoeien

Soms worden de onderste zijtakken weggenomen om een meer open effect te krijgen en de mooie stengels beter te kunnen zien, maar er komt op die plaatsen nooit een nieuwe zijtak terug! Een Bamboe heeft geen (slapende) knoppen als heesters/bomen.

In de winter kunt u lelijke of oude stengels wegnemen, dit kan zelfs de groei van nieuwe scheuten stimuleren. Maar snoei nooit meer dan 25% van de stengels weg.

 

Heggen

Een mooie Bamboeheg is mogelijk. Er kan gesnoeid worden, maar laat de heg niet al te breed worden als de tuin klein is, beperk de "wandelaars"(!) in hun groei door betonranden of plastic in de graven tot ca. 50 cm diepte (Bamboe wortelt oppervlakkig). Verder is het ook nog mogelijk wat te fantaseren en de bamboestengels tussen bamboe-en tonkinstokken te binden en zo een smalle levende heg te krijgen.

 

Wortelstekken bij Bamboe.

De "wandelaars" (monopodiaal) maken zgn. rhizomen (uitlopers) net als de stengels hebben deze ook knopen waar zich "wortels" bevinden verder zitten hierop knoppen waar nieuwe spruiten uitkomen. In maart kan men  zo'n rhizoom delen. Neem een stuk van ca. 40 cm. (met ongeveer 4 knopen en minstens één knop), wat er gezond dus stevig uitziet.

Als u te veel mensen wilt verblijden (dus te snel stekmateriaal neemt) remt dit de groei, omdat die rhizomen voedsel doorsluizen naar de scheuten van het komende jaar.

Zorg er voor dat de rhizomen nooit uitdrogen. Spoel ze schoon en leg ze horizontaal in een bak met grond , wacht tot de eerste scheuten verschijnen (volgend voorjaar) pot deze op.

U kunt ook een stuk rhizoom voorzichtig opnemen als er een spruit met bladeren aankomt en deze  oppotten of verplanten. Snoei deze in om al teveel vochtverlies via de bladeren te voorkomen.

Voorbeelden

Er zijn vele soorten Bamboes. Wij gaan uit van alleen hoge decoratieve soorten. De lage soorten woekeren verschrikkelijk. Ze zijn bijna niet in de hand te houden. Bij de hoge soorten betekent woekeren, dat het wel in de hand is te houden met de voornoemde voorzorgsmaatregelen. "Woekeren" wil zeggen dat de plant zo nu en dan een fikse scheut maakt. En polvormers worden ieder jaar een paar centimeter groter in omvang.

Een paar geschikte soorten in volgorde van wintergroenheid, de laatste 3 zijn subtropische soorten, die erg mooi zijn maar extra zorg nodig hebben:

 

Phyllostachys Aureosulcata "Spectabilis"

5-7 meter

zon

 

Phyllostachys Vivax "Aureocaulis"

8-10 meter

zon

 

Fargesia Nitida "Nymphenburg"

2-4 meter

halfschaduw

 

Fargesia Robusta

3-5 meter

halfschaduw

 

Phyllostachys Nigra

5 meter

zon

 

Semiarundinaria Fastuosa

7 meter

zon

 

Chusquea Breviglumis

4 meter

zon

 

Qiongzhuea Tuminoda

2-3 meter

halfschaduw

 

Fargesia Crassinoda "Kew"

2-4 meter

halfschaduw

 

Aanschaf

Ook tuincentra bieden Bamboes aan, deze zijn echter vaak prijziger en de keuze is meestal veel geringer. Neem eerst contact op een kweker of bamboeliefhebber alvorens tot aanschaf over te gaan. Een klein plantje  wordt snel groot.

Nogmaals pas op, het is een virus! In het "Book of Bamboo" staat het aldus omschreven: "Beware of Bamboo. It is emotionally invasive."

 

terug naar encyclopedie

 

Butia Capitata

 

De Jellypalm of Kokospalm is afkomstig uit Brazilië en Argentinië. Het is een mooie grijsgroenbladerige veerpalm die vrij veel vorst kan verdragen. Maar uit gegevens van het internet bleek dat een palm in Nussloch (Duitsland) -11 °C overleefde met alleen wat mulch aan de voet van de palm. In Anniston (Canada) overleefde een Butia -20,6 °C, de vorst duurde slechts 35 uur.

Vier jaar later stierf dezelfde plant bij -15,6 °C, maar de vorst duurde wel 4 dagen. Ondanks het feit dat de plant inmiddels ouder was, was in dit geval de lengte van de vorstperiode de doodsoorzaak

 

terug naar encyclopedie

 

Cactussen en Succulenten

 

Drainage bij zonminnende planten komt als eerste verzorgingseis naar voren. Voor Cactussen en Agaven telt dit misschien wel in het kwadraat. Verder stellen deze planten nog een aantal bijzondere eisen om tot een succesvolle plantengroep voor de Nederlandse tuin te gaan behoren.

Nogmaals een hoge grondwaterstand is dodelijk en ook een ondoordringbare laag leidt tot een te vochtige bodem. Dit laatste komt nogal eens voor in nieuwbouwwijken. De ondoordringbare laag  dient volledig te worden verwijderd een meter diep spitten kan geen kwaad en extra drainage gaten boren met een grondboor en deze vol gieten met grof grind als extra geven een goed resultaat.

De grond moet verder zeer voedselarm zijn, hierdoor groeien de planten langzaam en dat zorgt voor een veel betere overlevingskansen in onze vochtige winters!

Om dit alles te bewerkstelligen werk ik dikke lagen puin van een steenhouwerij/beeldhouwer, het liefst zwart marmer. Dat zwarte marmer houdt de warmte goed vast zeker als de planten ietwat tegen een "helling" op het zuiden worden geplant. Verder heb ik het geluk, dat mijn tuin op zandgrond ligt. Op de laag marmerpuin komt een laag van ca. 15 cm. dik zandgrond, geelzand en fijn grind.

Zandgrond draineert goed, klei daarentegen nauwelijks. De zanderige tuingrond vermeng ik nog met geelzand en fijn grind. Rondom de hals van de planten ligt een laagje grind, als een cactus zijn schijf in de winter op de grond laat rusten dat blijft het door het laagje grind droger onder de schijf.  Vocht leidt onherroepelijk tot rottende schijven. Wellicht is obsidiaan een goede vervanger van het laagje fijne grind, dit is een zwarte glasachtige "grondsoort" die bij vulkaanuitbarstingen gevormd wordt.  Ik vermoed dat dit nog meer warmte vast zal houden.

 

Gunstige plaats voor Cactussen en Succulenten

De planten houden van zon, meer zon, meest zon en nog meer zon!. De beschutting van een huis liefst met een overstekende dakrand op het zuiden is ideaal. De overstekende dakrand houdt de neerslag tegen en de muren van een huis stralen altijd wat warmte uit, zeker als de zon schijnt.

De planten op een ietwat schuine helling planten, uiteraard zuid laag, noord hoog, geeft nog meer warmte opslag en het kan deze planten niet warm genoeg zijn.

 

Extra maatregelen

Veel Opuntiasoorten kunnen veel vorst verdragen, er zijn zelfs soorten, die tot in Canada voorkomen!

Als de planten in hun "vertroetelbed", als hierboven zijn aangeplant dan zijn er redelijk veel cactussen en zelfs agaven aan te kweken.

In tegenstelling tot bij andere subtropische planten, dient de winterbescherming niet te bestaande door er mulch of ander "spul" rond de plant te leggen, dit geeft alleen maar kans op ophoping van vocht De enige goede maatregel is het aanbrengen van glasplaat, doorzichtige golfplaat, of een plexiglasplaat over de planten aanbrengen, de bedoeling hiervan is dat de planten niet door neerslag worden gegeseld. De wind moet onder de glasplaat door kunnen waaien, drogen. Het aanbrengen kan in november gebeuren en eind februari weer worden weggenomen, een beetje afhankelijk van de weersomstandigheden.

Mochten door alle goede verzorging toch rotte plekken op de plant komen, dan moeten deze rotte delen direct worden verwijderd tot op het gezonde plantdeel, de wond kan het beste worden behandeld met houtskoolpoeder. Zo'n rotte plek kunt u herkennen door een vreemde glans op de plant, als de "huid" gemakkelijk verdwijnt ziet u daaronder en vies slijmerig groen papje en dan is het dus mis. Er is trouwens een "vreemd" verschijnsel bij bijv. de Opuntia Humifusa: om de winter te overleven verschrompelen de schijven, dit is echter een heel natuurlijk proces, niet ingrijpen dus! Later in het voorjaar "pompen" de schijven zichzelf weer op en komt de plant weer helemaal "terug".

Agaven zijn extra gevoelig want de regen kan in de bladoksels blijven staan en vooral voor hen is een dek met een plaat aan te bevelen, temeer daar ze over het algemeen minder winterhard zijn dan de Opuntia's

 

terug naar encyclopedie

 

Callistemon

 

De lampenpoetser wordt gekweekt als prachtige kuipplant. Callistemon Citrinus met rode bloemen wordt veel aangeboden, maar zal alleen bij een zeer zachte winter kunnen overleven.

Vooral het fraaie uiterlijk van de bloemen, die de vorm hebben van een "borstel" waarmee men in lang vervlogen tijden lampen reinigde. Als de planten het goed doen kunnen de decoratieve zaaddozen lang aan de plant blijven zitten, vaak vallen de zaden pas na twee jaar uit de zaaddozen. De meeste soorten hebben rode bloemen, echter de winterhardheid van juist deze soorten laat te wensen over. De crème gekleurde Callistemon Sieberi hoort, samen met de C. Pallidus tot de meest winterharde soorten. Deze Australische prachtplant is het proberen waard op zeer zonnige beschutte plek. In de winter moet de plant met vliesfolie tegen schrale koude worden beschermd. Ook het afdekken van de wortelvoet is aan te bevelen, hiervoor een zeer luchtige mulch gebruiken, die niet te veel vocht vast kan houden.

Verzorging: De plant houdt van een licht zure grond (kalk is uit den boze!), die goed doorlatend is maar wel vocht kan vasthouden

Vermeerderen: In de nazomer kunnen kopstekken worden genomen, bij een temperatuur tussen de 20 en 25ºC. zullen ze onder glas bewortelen. Vermeerderen uit zaad is moeilijk.

 

terug naar encyclopedie

 

Camellia

 

Bij het drinken van een kopje thee zullen weinig mensen beseffen, dat ze een drankje nuttigen van een familielid van de Camellia in de tuin. Het gebruik van thee kwam volgens de legende door een Chinese keizer. De keizer wandelde op een goede middag door zijn tuin, ging op een bankje zitten rusten. Er viel een theeblaadje in zijn kopje water. Het gaf een mooie kleur en een prikkelende geur. Daarop besloot hij dat de voorproever het maar eens moest proeven. Voor hemzelf was het natuurlijk te gevaarlijk om dat zomaar te doen. De voorproever was zeer enthousiast en de theeconsumptie was geboren. Daarmee natuurlijk ook de interesse voor de theeplanten (Camellia Chinensis), de andere leden van deze familie zijn misschien wel beter bekend onder de Nederlandse naam tuberoos.

Maar de werkelijkheid was waarschijnlijk een beetje anders: De bladeren van de dat je de bladeren kon drogen en van de gedroogde bladeren kon je thee zetten. theeplant werden gekauwd als zijnde een opkikkertje. Veel later werd ontdekt, Nog weer later ontdekten de Europeanen de theedrank en vooral Nederland, Engeland en Portugal begonnen met het opzetten van theeplantages in hun koloniën.

Er werd volop gezocht naar andere smaken en zo werden meerdere soorten ontdekt en door kruisen werden nieuwe rassen gekweekt. Zelfs winterharde camellia’s.

De Camellia is een bijzondere plant, die wel 2000 kruisingen kent. In het vroege voorjaar (meestal) verschijnen er prachtige bloemen in de kleuren rood, wit ,roze en alles wat daar tussen zit. De bloemen zijn soms zelfs gestreept of gespikkeld, gevuld, enkelbloemig of dan weer halfdubbel, pioenvormig, anemoonvormig of roosbloemig en dat in alle mogelijke combinaties.

Er zijn verschillende goede selecties in omloop, die zo goed als winterhard zijn en zelfs minder schade oplopen dan sommige magnolia's of vruchtbomen. Het is een bladhoudende plant met prachtig glimmende donkergroene leerachtige bladeren, hieruit kun je afleiden, dat de plant niet van droge wind houdt. In de winter is bescherming tegen koude droge wind noodzakelijk b.v. door middel van vliesfolie. De standplaats moet verder zoveel mogelijk uit de zon zijn, want de meeste schade loopt deze "beauty" op door grote temperatuurverschillen veroorzaakt door de winterzon (zowel plotselinge vorst als plotselinge flinke dooi zijn schadelijk.

De plaats moet ook in de zomer liefst koel blijven. Verder zijn jonge planten veel vorstgevoeliger dan oudere planten, dus jonge planten goed beschermen. Een wigwam van rietmatten doet de eerste jaren wonderen, de temperatuur in de wigwam kan zomaar 5 cruciale graden schelen! Verder is het bij alle camellia's aan te raden een goede mulchlaag rond de wortelvoet aan te brengen, want de plant wortelt oppervlakkig.

Alle Camellia's houden van een humusrijke licht zure grond, van nature groeit 'ie in de bossen, alwaar een humeuze bodem is. Het is van belang goed aan deze eis te voldoen, want deze langlevende plant geeft veel bloeivreugde.

De plant kan last krijgen van ijzergebrek, hij krijgt dan gele bladeren. Het toevoegen van ijzersulfaat, oude roestige spijkers of wat stalmest is aan te bevelen. Teveel aan stalmest levert weer bruine bladeren op, dus zeer matig zijn met mest.

In februari gaan bij een zachte winter de bloemknoppen langzaam open, de bloemknoppen zijn al vòòr de winter gevormd. Het is voordeel als de camellia buiten staat, want de knoppen moeten koel blijven om zich te kunnen openen. Iets wat binnenshuis of in de kas vaak een probleem is.

De Camellia heeft verder een hekel aan verpoten, zet 'm dus direct op zijn definitieve standplaats. De struik kan tot ongeveer 3 meter hoogte uitgroeien. De breedte is zo'n 1,5 meter.

Enkele mooie cultivars: Camellia Japonica "Elegans" (donkerroze, anemoonvormig), Camellia Japonica "Mathotiana Alba" (wit, pioenvormig), Camellia Japonica "Alba Simplex" (wit enkelvoudig).

Camellia Cupidata, Saluenensis, Oleifera, Sasanqua en Camellia Reticulata, zijn nog een paar vertegenwoordigers. Alle genoemde soorten komen uit Japan, China of Korea.

De Camellia x Williamsii groeit iets robuuster uit dan Japonica, maar de kruisingen zijn vaak iets beter winterhard dan de Japonica. Camellia x Williamsii "Golden Spangles" heeft roze, enkelbloemig en bont blad.

Een Australische firma heeft de meest winterharde variëteiten voortgebracht: C. "Ballet Queen" (zacht roze, pioen tot anemoonvormige bloemen), C. "Ballet Queen Variëgata" (met witte vlekken), Camellia Williamsii "Dream Boat" (roze, dubbele dahlia-achtige bloem, overhangende takken), C. Williamsii "Donation" (lichtroze halfgevulde bloemen), C. Williamsii "Jury's Yellow" (ivoorwitte anemoonvormige bloemen, de middelste bladeren zijn geel getint), C. Japonicum "Shirobotan" (witte halfgevulde bloemen met gele meeldraden, bossige groei), C. Japonica "Blood of China" (halfdubbel gevulde zalmkleurige bloemen met gele meeldraden, licht geurend).

In de zon op een warme beschutte plaats is Camellia Sasanqua te proberen. Hij heeft dus een andere voorkeur dan de voorgaande Camellia’s. Maar biedt dus ook weer andere mogelijkheden in uw tuin, mede omdat deze in het najaar bloeit.

Een paar andere soorten, die het najaar of winter bloeien zijn: Camellia Saluenensis, Camellia Oleifera en Camellia Salicifolia (deze laatste is beperkt winterhard). Helaas zijn deze najaarsbloeiers moeilijk te verkrijgen. Veelbelovend zijn de kweekresultaten van de winterharde selectie van Camellia Oleifera!

Camellia's kunnen gestekt worden, zij het moeizaam. U kunt een bladstek nemen (stukje stengel met daaraan één gezond blad) van een éénjarige scheut en dit als uitgangsmateriaal gebruiken. Een hobbykas is eigenlijk wel noodzakelijk evenals  ervaring.

De vorsttolerantie is vrij groot tot -18ºC bij de sterkste soorten.

 

terug naar encyclopedie

 

Canna

 

Canna’s zorgen voor meer kleur en tropisch spektakel met hun banaanachtige groei en hun felle kleuren in het blad. Die variëren van wit tot bont of geel, rood tot dieppaars. Laat staan de spectaculaire dominerende grote hoge bloemen in diverse kleuren en groottes!

De wortelstokken die tot knol uitgroeien moeten zeer goed worden afgedekt worden voor de winter om ze vorstvrij te houden. Oprooien kan ook.

 

terug naar encyclopedie

 

Chamaerops Humilis

 

Deze dwergpalm is vorstbestendig tot –8ºC. De Chamaerops Humilis is de enige van de talrijke palmsoorten, die oorspronkelijk uit Europa komt. Men treft hem aan in het westelijk gedeelte van het Middellandse Zeegebied, in Italië en Spanje. Op onze breedte is deze robuuste dwergpalm heel geschikt als kuipplant.

De palm is gevoelig voor vooral natte koude en groeit bij voorkeur op een droge kalkrijke grond. De soort wordt vaak verward met Trachycarpus Fortunei, maar onderscheidt zich door kleiner, blauwer blad met sterk gedoornde stelen. De bladeren zijn veel minder gevoelig voor wind dan die van de Trachycarpus. Onder optimale omstandigheden kan hij wel acht meter hoog worden.

In de zomer staat hij graag buiten. Met een stevig en luchtig winterdek kan de palm overleven in niet al te strenge winters. Als kuipplant verdient hij in de winter een lichte plaats, waar het niet kouder wordt dan –5 graden.

Verdere voorwaarden zijn: een uiterst droge plek in de winter en natuurlijk een zeer beschutte standplaats op het zuiden! Een droge plek is te creëren met harde (dus goed doorlatende) natuursteen, liefst met een zwarte kleur. Deze stukken steen kunnen door de grond rond de palm worden verwerkt. Chamaerops Humilis "Cerifera" (-8ºC) komt uit het Atlasgebergte (Marokko) en heeft blauwere bladeren en is wellicht iets meer winterhard.

 

terug naar encyclopedie

 

Cordyline Australis

 

Deze Australiër wordt in Ierland "uitgemaakt" voor palm. De bladeren hebben er misschien wel wat van weg, maar een palm is het zeker niet. De bladeren staan op een tot ca. 2 meter hoge stam, die zich soms vertakt. De plant kan soms tot aan de grond bevriezen, maar als de plant goed gesetteld is zal hij weer uit de grond opkomen. Hij moet dan wel weer helemaal opnieuw beginnen.

Ze houden van droogte vooral in de winter en dan natuurlijk lekker op het zuiden. Er zijn verschillende cultivars in omloop maar die zijn niet winterhard.

 

terug naar encyclopedie

 

Cupressus Sempervirens

 

Er worden vele selecties van deze conifeer aangeboden. Ze worden bijna allemaal uit Italië geïmporteerd. Of ze de gewenste zuilvorm zullen ontwikkelen is vaak de vraag. En vaak zijn de bomen op een onderstam van een andere soort geënt.

Deze zeer karakteristieke boom groeit vooral in de landen rond de Middellandse Zee. Ze kunnen meters hoog worden, maar nemen niet al te veel ruimte in door hun zuilvormige groeiwijze. Ze zijn daarmee goed geschikt voor gebruik in kleinere tuinen

De boom is goed winterhard, in strenge winters kan een cipres, mits deze in de luwte van bijvoorbeeld een huis is geplant, zonder al te veel schade overleven. In de zeer strenge winter van 1996/1997 was er bij mijn jonge exemplaren slechts hier en daar een klein bruin plekje te bespeuren door de vorst.

In de winter hoeven de bomen als ze niet op het noorden of oosten staan niet afgedekt te worden.

 

Verzorging: Bij het planten dient men de boom goed te steunen met een stevige paal, die jaren lang mee kan. De boom groeit tamelijk hard en de wortels schijnen niet voldoende mee te groeien om de boom stevig in de grond te verankeren. De grond dient goed doorlatend te zijn.

Vermeerderen: de plant is heel goed uit zaad op te kweken, binnen een paar jaar groeit 'ie uit tot een respectabele conifeer. Hij is dan eerst goed als kuipplant te gebruiken, maar kan in een pot lang niet zoveel vorst verdragen. Verder mag hij natuurlijk niet uitdrogen, ook 's winters niet.

 

terug naar encyclopedie

 

Cycas

 

Deze palmvaren is in principe niet winterhard. De Cycas is een oeroud geslacht van wel 60 soorten, die hun thuisbasis hebben in Australië, Zuidoost-Azië, Madagaskar en Oost-Afrika. Ze gedijen eigenlijk alleen in de tropen en de warmere subtropen. Deze soort is weer wel tweehuizig (mannelijk en vrouwelijk).

Sommigen experimenteren met de Cycas Revoluta, maar meestal met een slechte afloop. Deze palm is niet winterhard, al verdraagt hij wel een paar graden vorst. Daarnaast groeit hij zeer traag, zodat zelfs een zachte winter met winterdek meestal teveel van het goede is.

Toch is er recentelijk een meer winterharde soort gevonden in de bergen van Szechuan en Yunnan in China, genaamd Cycas Panzihuaensis (vorstbestendig tot -5ºC). Deze plant groeit snel en wordt redelijk groot. De bladeren zijn blauwgroen en smal geveerd. Het is een bijzonder mooie soort, die net als de Sabal Minor liefst op een zo warm mogelijke plek wordt uitgeplant, in een goed doorlatende vruchtbare bodem.

 

terug naar encyclopedie

 

Dicksonia Antarctica

 

Eerst voor alle duidelijkheid, de naam doet vermoeden dat deze boomvaren uit Antarctica zou komen, maar dit is zeker niet het geval. Hij kan juist heel weinig vorst verdragen! De naam komt van een Engelse botanicus.

Verder doet boomvaren denken, dat deze varen iets te maken zou hebben met een boom, ook dit is absoluut niet het geval. Normaal gesproken gaat er door de stam van een boom een sapstroom van blad naar wortels en omgekeerd. Bij de Dicksonia is dit helemaal niet het geval. Eigenlijk is de "stam" van de boomvaren een pakketje humus. Ieder jaar maakt de varen een aantal bladeren en oude bladeren sterven af. De basis van de  afgestorven bladeren houdt samen met de wortels de humus, gevormd door de afstervende bladeren, bijeen. En zo wordt de "stam" ieder jaar ongeveer 3 cm. hoger. Ook de wortels moeten dus meegroeien om de bodem te kunnen bereiken voor het opnemen van water. Voor de verzorging houdt dit in dat de "stam" nooit mag uitdrogen!

Een prachtige verschijning is de Australische boomvaren Dicksonia Antarctica. Deze schaduwminnende plant kan ongeveer 5 graden vorst verdragen. Deze prehistorische bedreigde verschijning komt uit Tasmanië, alwaar hij goed beschermd wordt.

Als de plant zeer goed wordt ingepakt kan hij buiten uitgeprobeerd worden. De bladeren zullen vrijwel altijd bevriezen ook bij een zachte winter. Veelal worden alle bladeren afgeknipt voor de winter, zij kunnen tevens dienen als isolerend materiaal voor het inpakken van de varen. Het inpakken dient grondig te gebeuren. Om de "stam" worden een paar stokken gezet op ongeveer 20 cm afstand. Omwikkel het geheel met een rietmat, vliesfolie of  kippengaas, stort daarna het bouwsel vol met isolerend materiaal: de afgeknipte bladeren, stro, droog blad, etc.  Bij strenge vorst kan het geheel tijdelijk worden omgeven door noppenfolie. Ik probeer de bladeren te behouden door ze op te binden.

In de vrije natuur kunnen deze planten tot 10 meter hoog worden, maar hier zullen ze misschien de vier meter kunnen halen, wat heel erg lang duurt bij deze zeer traag groeiende plant..

De grond moet vochtig maar goed doorlatend en luchtig zijn, als er voldoende vocht is (ook op de "stam") kan de plant wat zon verdragen, maar schaduw heeft de voorkeur.

Omdat de boomvaren in Nederland eigenlijk altijd zijn blad verliest, wat 'ie van nature niet gewend is, kan de groeikracht in de volle grond langzaam verminderen. Geleidelijk aan kan de stam steeds dunner worden doordat de plant buitengewoon veel energie in zijn herstel moet steken, als hij jaren achtereen getroffen wordt door een strenge winter.

Een mooi Nieuw-Zeelands broertje is de moeilijk te verkrijgen Dicksonia Squarrosa. Deze kan ook 4 meter hoog worden maar de stam blijft elegant (tot 15 cm dikte). De bladeren zijn donkergroen en de stam lijkt wel zwart. De plant kan zijtakken/scheuten maken.

 

terug naar encyclopedie

 

Eriobotrya Japonica

 

In Spanje noemen ze hem "nespezon" (mispel), in Italië "nespola" en in Nederland noemt men hem de "Japanse Mispel".

Het is een Aziatische bladhoudende boom, die in Japan tot 1000 meter hoog groeit in de bergen. Op deze hoogte vriest het regelmatig en hij tolereert ook Nederlandse vorst. Hij wordt in Nederland niet veel aangeplant, in tegenstelling tot het Middellandse-Zeegebied. De boom maakt vruchten in het najaar, ze rijpen af in het vroege voorjaar. De vruchten worden als toetje of confiture gegeten. In Nederland komen exemplaren tot zo'n 4 meter hoogte voor in botanische tuinen, ze maken dan nog geen vruchten.

Hij verlangt een goed waterdoorlatende voedzame grond en 's winters stelt 'ie een winterdekking wel op prijs. Dit wordt een probleem als de boom een brede kroon gaat vormen, en er strenge vorst optreedt. Nog een probleem geeft een schimmelziekte, die ontstaat als het blad nat wordt en niet voldoende snel opdroogt, vooral bij heel warm weer, dus zeer luchtig beschermen! Er komen dan zwarte vlekken op het blad. Voor insecten is de plant niet erg gevoelig, door de wasachtige bovenzijde en viltachtige onderkant van het blad.

Onder -14ºC schade aan bladeren. Onder -17ºC ernstiger schade. Tot -8ºC helemaal geen schade.

 

terug naar encyclopedie

 

Erythrina Crista-Galli

 

Een geweldige kuipplant uit Brazilië, onwaarschijnlijk taai. Op een zeer beschutte warme plek zal deze geweldige exoot adembenemende rode bloemen laten zien.

De bovengrondse delen zullen na de winter helemaal weggevroren zijn, maar dat wil nog niet zeggen, dat de plant dood is. Als hij onder een hele dikke laag stro is verpakt en de vorst zijn dodelijke werk niet heeft kunnen voltooien dan lopen de nieuwe scheuten weer vanuit de grond uit. Gelukkig bloeit de koraalstruik op dit jonge hout.

Op een goed gedraineerde plaats (ook weer niet te droog in de zomer) zal dit experiment goed kunnen aflopen. Een goede organische mestgift in het voorjaar wordt zeer op prijs gesteld.

 

terug naar encyclopedie

 

Eucalyptus

 

Een vertegenwoordiger van "Down Under". De Eucalyptus kan met redelijk goed gevolg uitgroeien tot een respectabele boom, in Australië tot zo'n 90 meter hoogte. Het zijn zelfs de snelst groeiende subtropische bomen.

De boom is vaak gebruikt om moerasgebieden droog te leggen en daarmee de malariamug te verdrijven. Het grote wijd uiteen groeiende wortelstelsel vormt een soort spons en neemt dus grote hoeveelheden vocht op.

De bladeren zijn oliehoudend, verteren moeilijk en bevatten looizuur, waardoor onderbegroeiing onmogelijk is. Afgevallen bladeren kunt u dus beter weghalen, als u onderbegroeiing wenst.

De bladeren verspreiden wel een "heerlijke" geur, waar muggen niet zo dol op zijn. De stelling dat muggen je terras-met-Eucalyptus op een mooie zomeravond niet komen bezoeken, moet helaas naar het rijk der fabelen worden verwezen.

De gedroogde bladeren worden gebruikt als Eucalyptusolie in de geneeskunde: tegen o.a. astma en chronische bronchitis. De stof Eucalyptol (cineol) wordt gebruikt in hoestbonbons, siroop, inhalatiemiddel en tandpasta. Als u zelf bladeren wilt verzamelen, moet dit 's zomers gebeuren. De bladeren moeten worden gedroogd en in een stopfles worden bewaard.

Een mooi verschijnsel door de enorme groei is het schilferen van de bast. De boom groeit "uit zijn jasje", bij sommige soorten geeft dat een prachtig kleurenspel op de ouder wordende stam, bijvoorbeeld bij E. Niphophila en E. Stellulata.

Vooral de wit-bloeiende bomen zijn redelijk winterhard, mits ze beschut tegen wind worden aangeplant. De boom kan verder zijn bladeren optimaal naar de zon draaien. Als er teveel zon is draait hij zijn bladeren een halve slag, het licht valt er langsop. Als de lichtcondities slechter zijn draait hij zijn blad optimaal naar het licht toe.

Een populaire soort is E. Gunnii met zijn kleine ronde blaadjes als de boom nog jong is, later wordt het blad langwerpig. Wilt u dat de boom altijd de jonge bladeren houdt dan moet de boom ieder jaar gesnoeid worden, dit groen wordt vaak door bloemisten in boeketten gebruikt. Het is echter niet de meest winterharde soort (tot ca. - 14ºC).

Sommige soorten groeien op grote hoogte, tot zo'n 2000 meter hoog in de Australische bergen, deze soorten zijn veel beter winterhard dan de Eucalyptus Gunnii.

E. Niphophila ("Snowgum") is bestand tegen vorst van 20 graden. De bast van de laatste schilfert schitterend af als de boom ouder wordt. De kleurvariaties op de schors zijn groen, grijs en crème. Hij heeft ook in het jeugdstadium grijze langwerpige bladeren. De bladstelen zijn rood gekleurd.

Hij groeit is verder niet de snelst groeiende van de Eucalyptussen, maar op den duur kan de boom in een goed jaar toch een meter in de lengte groeien.

De winter van 1996-1997 met felle koude oostenwind heeft vele Niphophila's het leven gekost, sommige bomen kwamen als struik terug.

Goede selecties van Eucalyptus Debeuzevillei (Jounama Snow Gum) zijn nog winterharder zijn dan de E. Niphophila, hoewel deze in de Australische bergen op iets lager gelegen hellingen groeit. De bladeren zijn blauwgroen met gele stelen. Het afschilferen van de bast geeft groen, grijs en crème kleuren te zien.

De Eucalyptus Parvifolia, een vrij kleine attractieve boom met klein groen loof wat in het jeugdstadium lijkt of tot bijna varenachtig. Hij is een tikje minder winterhard dan de allersterksten, maar kan toch tot 18 graden vorst verdragen.

Bijna even winterhard is de Eucalyptus Glaucescens, er zijn in Nederland verschillende volwassen exemplaren te vinden. Maar een beschutte plek is blijkbaar bij de winterhardste soorten wenselijk. Dan nog blijft het risico van invriezen, als de plant overleeft zal hij vaak in struikvorm terugkeren. Helaas gaat de boomvorm dan verloren, maar als struik is de Eucalyptus ook niet te versmaden. Houd rekening met dit gegeven bij plannen van een Eucalyptus in uw tuin.

Nog een paar redelijk tot goed vorstbestendige soorten: E. Archeri (tot - 18ºC), hij bloeit rijkelijk met witte bloemen. E. Gregsonia ("Wolgan Snowgum") uit de Australische Alpen heeft ook direct sikkelvormig blad aan roodachtige takken. E. Perriniana heeft typische grote ronde bladeren die om de tak heen groeien in het jeugdstadium (tot - 18ºC). E. pauciflora lijkt op Niphophila, alleen zijn de bladeren wat groter, deze heeft ook een dwergvorm "Nana", die niet veel hoger dan 1,50 meter wordt. E. Stellulata, heeft niervormige bladeren in het jeugdstadium en een prachtig afschilferende bast. Verder is de E. Dalrympleana een aanwinst, die het proberen waard is, het wordt een grote boom en de twijgen zijn roodachtig.

Vermeerderen: Alle Eucalyptussen kunnen goed uit zaad worden gekweekt, maar de winterhardheid kan dan van exemplaar tot exemplaar sterk wisselen. De plant is verder in staat om vanuit de grond weer uit te lopen en hij verdraagt snoei. Bij snoeien krijgt hij een struikvorm. Van belang is deze meestal snel groeiende bomen stevig aan te binden gedurende lange tijd. De planten zijn zeer gevoelig voor harde wind, dus een beschutte plaats strekt tot aanbeveling.

Veengrond maakt boom minder winterhard, omdat de groei later in het najaar stopt, dan b.v. op zandgrond.

Onder -10ºC schade aan bladeren. Onder -15ºC ernstiger schade. Dit zijn gemiddelden voor de meest winterharde soorten.

 

terug naar encyclopedie

 

Fatsia Japonica

 

Jaren geleden zagen we aan de "Zeeuwse Rivièra" al enkele Fatsia's staan. De plant krijgt als te groot uitgegroeide kamerplant nog wel eens een "tweede leven" in de tuin. Deze uit Japan afkomstige plant zal u belonen met prachtige grote handvormige donkergroene leerachtige bladeren. Aan het einde van de herfst geeft hij aparte roomwitte bloemen, die graag worden bezocht door mieren.

Meestal gooit de eerste vorst roet in het eten en komen er net geen zwarte bessen. Komen die er wel dan moeten ze in het voorjaar snel geoogst worden, want ze zijn kort kiemkrachtig. De plant groeit bossig uit en kan ruim 2 meter hoog worden als hij op een beschutte half beschaduwde plaats wordt uitgeplant. 's Winters is mooi te zien hoe de plant zich aan de omstandigheden aanpast. Zodra het begint te vriezen laat hij de bladeren hangen om zo de verdamping tot een minimum te beperken. Bij strenge vorst, vooral als deze gepaard gaat met harde wind is het raadzaam de plant toe te dekken met rietmatten of eventueel met dekens.

De bontbladige soorten zijn niet minder winterhard: "Variegata", "Aureovariëgata" met geel bont blad en "Reticulata" met geel geaderd blad.

Onder -12°C schade aan bladeren. Onder -15°C ernstiger schade.

 

terug naar encyclopedie

 

Feijoa Sellowiana

 

De Feijoa Sellowiana die uit het zuidwesten van Amerika stamt heeft schitterende bloemen en wordt vaak in de warme kas gebruikt, maar ook in de volle grond doet 'ie het goed. De bloei laat lang op zich wachten, maar ook zonder bloemen is de plant de moeite waard. En het geduld wordt beloond. De Feijoa is nauw verwant aan de Guave, een tropisch fruitgewas. De vruchten van de Feijoa worden gegeten; bepaalde rassen worden in de tropen en subtropen speciaal voor de vruchten gekweekt. Bij ons moeten we de bloemen met een penseel bestuiven om vruchten aan de plant te kunnen krijgen. In de volle grond heb geen vruchten waargenomen. In een zeer mooie warme zomer zullen de prachtige bloemen u doen verwonderen.

In Duitsland hebben proeven uitgewezen dat deze soort temperaturen tot -16°C kan overleven.  De planten moeten dan wel droog en uit de zon staan. Bij ongeveer ongeveer -8°C zal het blad bevriezingsverschijnselen gaan vertonen, maar in het voorjaar wordt weer voldoende nieuw blad gevormd.  Zelfs na een zeer strenge winter kan de plant zich vanuit de grond herstellen. De jonge twijgen spruiten vanuit de wortelvoet uit.

De Feijoa Sellowiana houdt van een zonnige standplaats en de grond moet 's winters droog blijven. De winterbescherming bestaat uit het beschermen met vliesfolie, als er een koude vrieswind waait. De plant verdraagt snoei goed.

Vermeerdering: In juli topstekken nemen, behandelen met stekpoeder en onder glas of plastic bij een temperatuur van  20 - 25°C aan de wortel brengen. Vermeerdering uit zaad in het voorjaar is goed mogelijk, laten kiemen bij ongeveer 20°C.

 

terug naar encyclopedie

 

Ficus Carica

 

Het geslacht Ficus bestaat uit wel 800 soorten, variërend van kruipende planten naar struikvorm tot bomen. U kent vast en zeker wel een paar vertegenwoordigers van het ficusgeslacht: de kleine Ficus Pumila (kruiper) of de grote Ficus Elastica.

Rubber is afkomstig van de ficus. Bij het aansnijden van de bast komt er een melkachtig sap naar buiten, dit sap wordt in emmers opgevangen en het is de grondstof voor rubber. Ook andere vertegenwoordigers geven bij beschadiging dit melkachtige sap, wat irriterend kan zijn. Het is te stoppen d.m.v. sigarenas of water.

Het verspreidingsgebied van de ficus is enorm: de Indische archipel, Polynesië en het hele Middellandse-Zeegebied. Voor de tuin is de vertegenwoordiger uit het Middellandse-Zeegebied van belang: Ficus Carica (vijg).

Het vruchtzetten van de vijg is niet simpel. De vijg heeft mannelijke en vrouwelijke planten. De ingeklapte bloembodem heeft een opening aan de onderkant. Deze opening verschaft wespen de toegang om daar hun werk voor de vijg te doen. De wesp neemt het stuifmeel mee naar de vrouwelijke bloem. Deze manier van bevruchten heet caprificatie.

Zo zijn er mannelijke planten, die "vruchten" voortbrengen, deze zijn oneetbaar (caprivijgen). Dit zijn de gallen, waarin de vijgwespen uit hun eitjes opgroeien, om zo de kringloop rond te maken, en de Smyrnavijgen (de vrouwtjes) te bevruchten. De vrouwtjes leveren wel eetbare vruchten. Dit type vijg zal bij ons nooit vruchten voortbrengen, want de betrokken wespensoort komt hier niet voor.

Tegenwoordig is het niet nodig een mannelijke en een vrouwelijke plant aan te schaffen. Want er bestaan vijgenrassen, die heerlijke vruchten voortbrengen zonder het hierboven beschreven proces.

Er bestaan dan weer twee types: éénmaal en tweemaal vruchtdragende vijgen. De éénmaal vruchtdragende vijgen vormen jonge vruchten in het voorjaar en deze rijpen af in september/oktober. Tweemaal vruchtdragende vijgen geven vruchten in augustus, deze zijn al voor de winter gevormd en ze geven nog een keer oogst als bij de éénmaal vruchtdragende vijgen.

Dan is er nog een bijzondere groep: de San Pedro vijgen, die vormen vruchten zonder de vijgwesp voor de winter en de tweede oogst heeft wel de vijgwesp nodig om vrucht te vormen.

Voor ons zijn de tweemaal dragende en heel vroeg vruchtvormende soorten interessant.

De vijg is een plant die het zeker tegen een zuidmuur zeer goed doet. Zon, zon en nog eens zon, dat is wat de vijg wil. De bladeren van de plant zijn alleen al mooi genoeg om de plant te kweken, maar vruchten..............

Veel of weinig vruchtengroei is afhankelijk van de variëteit en de verzorging. Maar een "verkeerde" variëteit geeft nauwelijks vruchten ondank alle goede zorgen. Wij hebben een goede variëteit, eigenlijk op een verkeerde plaats (op het oosten) uitgeplant, maar deze geeft ieder jaar 50 à 60 rijpe vruchten.

En lekker zijn ze, die vruchten van de vijg. Als je goed op de variëteit let zijn er zelfs vrij snel vijgen aan de plant te krijgen!

 

"Brown Turkey" is goed winterhard en draagt lekkere vruchten: bruinrood met heerlijk zoet rood vruchtvlees. Ze kunnen vanaf augustus geoogst kunnen worden en kennen een krachtige groei.

"Negronne" met dieprode tot zwarte middelgrote vruchten, die bloedrood van binnen zijn.

"White Marseille" is goed winterhard met grote bladeren, kleine stompe gele vruchten, de oogst is minder.

"Tena" is een vrij nieuw ras, met middelgrote groengele stompe vruchten.

"Bellone" rond half oktober grote vruchten met lichtviolet vruchtvlees.

"Brunswick" als het warm en zonnig geweest is in de zomer rond half oktober, lange roodbruine vruchten.

"Caromb" rond half oktober de lange grote vruchten met paars vruchtvlees oogsten.

"Dauphine" grote ronde vruchten rond half oktober.

"Goutte d'Or" rond eind oktober grote vruchten met goudgeel vruchtvlees.

"Grise de St. Jean" een grijze, maar goed dragende vijg rond eind oktober oogsten.

"Grosse Grise" donkerder grijs dan de voorgaande maar wel grote vruchten.

"Pitta Lusse" de vijgen verschijnen vroeg ronde maar niet al te groot met lichtgroen vruchtvlees.

"Precoce" ("Ronde de Bordeaux") vroege rijkdragende vijg met zwart vruchtvlees.

"Ronde de Bordeaux" rond eind september zijn de vijgen al rijp, zwart van binnen ietwat langwerpige vrucht.

 

Niet iedereen is gek op vijgen, omdat men veelal gewend is aan gedroogde vijgen. Wij vinden de vruchten, die vers zijn veel lekkerder en we zijn in goed gezelschap van Plato en Mohammed. Mohammed zei, dat 'ie, als hij een vrucht mee mocht nemen naar de hemel, het een vijg zou zijn! Het schijnt zo te zijn dat jongeren er sterk van worden en ouderen gezonder en ouderen krijgen een jonger uiterlijk!

Als de plant buiten staat en u wilt sneller vruchten oogsten dan is het raadzaam de wortels in hun groei te belemmeren bijv. in een bak planten van zo'n 60 diep x 75 cm2. Deze bak kan bijv. een oude speciekuip of een betonnen bak, altijd moeten er onderin drainage gaten zitten en bijv. puin om overtollig water snel af te kunnen voeren, want de wortels kunnen niet tegen nattigheid. Tijdens de groei hebben ze wel voldoende water nodig en ook organische mest of compost wordt zeer op prijs gesteld, als u volle vruchten wilt. Compost of organische mest dient in de herfst te worden aangebracht.

De vijgen rijpen van augustus tot november en zijn zeer kort houdbaar, als ze bruine vlekjes krijgen worden ze zuur en oneetbaar. De vijgen ontwikkelen zich in de bladoksels.

Als de vijgen rijpen zijn er kapers op de kust! Wespen en vogels zijn verzoet op de zoete delicatesse, een net doet wonderen. U dient iedere dag te kijken of er vijgen rijpen, ze zijn namelijk nooit allemaal tegelijk rijp. De vijg wordt dik, staat bijna op barsten. Ze moeten eigenlijk direct geconsumeerd worden, maar eventueel kunnen ze een paar dagen in de koelkast bewaard worden in keukenpapier verpakt. Ze kunnen ook worden ingevroren. Maar ze smaken altijd het best bij kamertemperatuur!

 

De plant heeft zeer decoratieve grote bladeren, die in de herfst na een behoorlijke nachtvorst afvallen. De vorm van de bladeren is van handvorming tot ovaal en alles wat daar tussen zit, zelfs op één struik kunnen verschillende bladvormen voorkomen.

Eventuele grote vijgen zullen in de winter bevriezen, kleine vijgjes kunnen echter wel overleven en het volgende voorjaar verder groeien. Deze "herfstvijgen" overleven alleen een heel zachte winter, maar geven al vroeg in het volgende seizoen vruchten.

Hoewel de plant tot de grond toe kan afsterven, komt deze vrijwel altijd terug komt met nieuwe groei. Zelfs als de plant tot de grond is ingevroren hoeft u de vruchten het komende seizoen niet te missen, want hij bloeit op het éénjarige hout.

Ideaal is een leistruik tegen een zuidmuur creëren. De vijg staat het liefst op een zonnige plaats in kalkrijke grond. Zorg er dan wel voor dat de plant circa 30 centimeter van de muur af staat. Het is goed om een jonge plant in het voorjaar terug te snoeien, zodat er een keur aan gesteltakken kunnen groeien, die later in een waaiervorm kunnen uitgroeien/geleid worden. Om zeker te blijven van vruchten, moet er om de 3 à 4 jaar gesnoeid worden. Dit om verzekerd te blijven van vruchtzetting aan de ontstane jonge takken. In mei/juni kunt u de takken toppen (tot op 4 à 5 bladeren), zodat er weer extra zijscheuten ontstaan. In hun bladoksel zullen weer vijgen ontstaan. Let wel op de "herfstvijgen", die in de bladoksels kunnen zitten. Denk verder altijd om vooral de ogen en de huid die kunnen geïrriteerd raken door het melkachtige vijgensap. Bij de snoei van dikkere takken heeft u daar weinig last van, maar bij het snoeien van twijgen of het knippen van bladeren komt dit sap vrij!

De planten zijn soms zeer gemakkelijk te stekken, kortom de resultaten zijn zeer wisselend. Het aanaarden of afleggen van de "slappe" stengels gaat meestal beter. U kunt verhoute stekken nemen in de winter of in augustus. Aanaarden of afleggen in het vroege voorjaar is ook een mogelijkheid, na een jaar zullen er vast en zeker wortels aan de aangeaarde of afgelegde takken zitten. Steek ze met een scherpe spade af en pot ze op of plant ze direct op de daartoe bestemde plaats.

Een vrij groeiende struik kan op een zeer beschutte plaats enkele meters breed en hoog worden.

 

terug naar encyclopedie

 

Fremontodendron Californicum

 

Meestal verliest deze Amerikaan zijn bladeren in de winter, tot zo'n 15 graden onder nul houdt 'ie het vol. Hij houdt van een droge warme plaats en groeit liefst langs een warme muur tot zo 7 bij 5 meter de hoogte en de breedte in. Hij zit de hele zomer vol met prachtige fel gele bloemen. Samen met een (rode) Campsis Radicans is de bloei een geweldig schouwspel! De Fremontodendron moet wel geleid worden langs de muur.

De variëteit "Glory" wordt vaak als kuipplant aangeboden, deze bloeit zeer rijk in het voorjaar en in de zomer neemt de bloei langzaamaan af. In een zachte winter behoudt de Fremontodendron zijn blad. Bij langdurige vorst verliest 'ie zijn blad (half wintergroen). De kleine bruine "haartjes' die overal op de bladeren en twijgen zitten zijn  zeer vervelend, zorg ervoor dat je deze niet aanraakt. Vooral in de ogen zijn ze een "brandende" ramp!

In de winter is het goed om de plant tegen koude wind te beschermen door middel van een rietmat.

Vermeerderen is erg moeilijk.

 

terug naar encyclopedie

 

Fuchsia

 

Deze zeer bloeigrage planten komen voornamelijk uit Zuid-Amerika en Nieuw-Zeeland en zijn een aanwinst in de subtropische tuin. Ze bloeien van begin juli totdat de vorst invalt. Soms bloeien ze nog eerder als de planten niet al te diep zijn ingevroren. De kleur van de bloemen is meestal rood/paars of wit, maar ook een gele komt voor. De planten moeten in het voorjaar gesnoeid worden, d.w.z. het dode hout wegnemen tot vlak boven de grond of tot de plaats waar de takken zijn ingevroren. Verder verlangen ze in het voorjaar wat extra mest voor een rijkere bloei.

Er zijn vele winterharde variëteiten in omloop, maar hier wordt beperkt tot de "wilde" (botanische) planten, die het buiten goed doen zonder al te veel winterdek en redelijk op tijd bloeien: Fuchsia Magellanica (met vele variëteiten), F. Regia subsp. Regia en subsp. Reitzii, F. Hatschbachii, F. Campos-Portoi, F. Coccinea var. Montana, F. Colensoi (bloeit niet), F. Procumbens (gele bloemen, kruiper), F. x Baccilaris.

Uit een experiment bleek dat de F. Boliviana een niet al te strenge winter overleeft, maar dan komen de bloemen erg laat. Misschien is er te experimenteren met F. Excorticata, F. Arborescens en Paniculata, de laatste wordt in Zuid-Engeland als heester uitgeplant. Ze zullen zeker meer winterdek nodig hebben dan de anderen.

Verder zijn er mogelijkheden om Fuchsia's als éénjarige te kweken. Er zijn namelijk planten, die een forse groei vertonen en ook kunnen bloeien aan het eind van de zomer, wanneer ze in mei als klein stekje worden geplant. (Ook zaaien behoort tot de mogelijkheden, let wel het zijn lichtkiemers, dus het zaad niet afdekken met zand! De nieuwe plant is echter niet soortecht, de Fuchsia staat bekend om het grote aantal kruisingen!).

Een soort met een zeer subtropisch uiterlijk is de Fuchsia Paniculata (de F. Arborescens lijkt erg veel op deze soort en heeft vrijwel dezelfde groeikracht). Kleine najaarsstekken dienen bij deze niet winterharde soorten wel binnen overwinterd te worden. Ze nemen dan niet veel ruimte in, maar moeten uiteraard wel verzorgd worden. Ze moeten net aan de groei worden gehouden bij een temperatuur van ca. 10°C.

 

terug naar encyclopedie

 

Gunnera Manicata

 

Als deze reus op de juiste plek staat kan hij bladeren produceren van 2,5 m doorsnede! Het is de moeite waard om 'm te proberen als u veel ruimte hebt, hoewel de Gunnera wat ons betreft best in een wat kleinere tuin aangeplant mag worden, mits er wel vooraf wordt nagedacht waar deze stevige jongen komt te staan. Meestal wordt de Gunnera Tinctora (chilensis) aangeboden, deze is ietwat winterharder dan de Gunnera Manicata (uit Brazilië). De jonge bladeren worden in Zuid-Amerika gegeten.

Deze plant uit Zuid-Amerika kan tot 10 graden vorst hebben, maar moet wel goed gedekt worden, de "neus" (groeipunt) drooghouden (b.v. met een oude mand op de kop over de "neus" leggen) gedurende de wintermaanden. Op die oude mand komt een dikke laag stro of droog blad te liggen. In het voorjaar het blad verwijderen en bij vorstgevaar de bladeren afdekken met bijv. noppenfolie (mag slechts voor een korte tijd).

Het is een prachtige contrastplant met Bamboe (die niet te nat mag staan!), maar met een beetje geven en nemen lijkt het al snel een jungle.

Om goed groot te worden moet de plant in het voorjaar goed bij worden gemest met oude koemest of iets dergelijks. Verder houdt 'ie ook van zon en veel warmte.

Als u echt geen ruimte hebt kun je de kleine "zus" uitproberen: De Gunnera Magellanica is een bodembedekker die nauwelijks opvalt. Eigenlijk gewoon een hebbedingetje. Deze houdt niet van zon maar van halfschaduw een vochtige maar geen natte grond en 's winter ook afdekken maar dat hoeft niet zo rigoureus als bij de grote broer.

Vermeerdering: De planten kunnen in het voorjaar gedeeld worden. Een stuk van een forse plant (met groeipunt; alwaar een blad tevoorschijn komt) met een scherpe spade afsteken en poten leidt vrijwel altijd tot succes. Er hoeven niet eens veel wortels aan de pol te zitten.

 

terug naar encyclopedie

 

Hedychium Gardnerianum

 

Een gemberachtige plant, die zo'n 5 graden vorst kan hebben. De plant sterft 's winters helemaal af, alleen de wortelstok blijft in de grond, die dan niet al te vochtig mag zijn. De grond moet goed doorlatend zijn maar wel vocht kunnen vasthouden gedurende de zomer. Verder is ook deze plant een veelvraat, hij houdt van mest! De ongeveer 2 meter hoog wordende plant krijgt "vreselijk mooie geel oranje bloemen, die wel met hun "kop" in de zon moeten staan.

Een tweede Hedychium die met veel mulchen te gebruiken is is: Hedychium Densiflorum "Assam Orange". De dertig centimeter lange heerlijk geurende bruin oranje bloemen, zullen u doen wegdromen naar de verre Himalaya ergens tussen de Indiase goeroes.

 

terug naar encyclopedie

 

Jubaea Chilensis

 

De honingpalm, vorstbestendig tot –8ºC is van de palmen met veervormige bladeren de meest winterharde. Hij stamt van oorsprong uit Chili en is leverancier van palmwijn en –honing vanwege het suikerhoudende sap. Om de grondstof voor deze wijn te oogsten moet echter de hele boom eraan geloven, waardoor deze palm dan ook bijna is uitgestorven. In het Engelse taalgebied wordt hij ook wel de Chilean Wine Palm genoemd.

De Jubaea kan tot 25 meter hoog worden, maar dat duurt heel erg lang. Zelfs als u hem vandaag nog plant, dan zullen uw kleinkinderen de eersten zijn die van de echt grote volwassen Jubaea genieten. Kortom hij groeit ongelooflijk langzaam.

Deze palm is ongelooflijk mooi. Enkele prachtige volwassen exemplaren zijn te zien in het centrum van Locarno (Zwitserland) en op Isola Madre (in het Lago Maggiore). Ook staan vlakbij en in Verbania (Italië) mooie exemplaren van de Jubaea. Ten slotte staat er ook nog ééntje in de grote kas van Kew Gardens in Londen.

De Jubaea past net als Trachycarpus goed in ons koele zomertje en een exemplaar met een redelijke stam kan tot 15 graden vorst verdragen. De plant krijgt een prachtige dikke grijze stam. Hij heeft grijsgroene veervormige bladeren. De palm heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen en hij draagt zwarte ronde kleine en keiharde vruchten, die tussen 6 en 15 maanden kunnen kiemen – als ze vers gezaaid worden. De vruchten smaken ook lekker en worden in Chili "coquitos" (kleine kokosnoten) genoemd. Aan u de keus: eten of zaaien. Als u kiest voor zaaien, dan wel eerst poten in een vruchtbare en goed doorlatende grondsoort op een zo beschut mogelijke zonnige plaats.

 

terug naar encyclopedie

 

Juglans Regia

 

Een zeer opvallende boom is de Noteboom (Walnoot of Okkernoot), die al eeuwen in cultuur is met name voor het mooie hout en de vruchten. De boom stamt van oorsprong uit Zuidoost Europa en Centraal-Azië. Met name de eigenlijk exotische en vreselijk lekkere noten geven deze boom een plaatsje tussen alle andere prachtexemplaren. De boom heeft geen tot de verbeelding sprekende vorm, grove takkenstructuur, geen mooie bladeren en ook de bloei is niet spectaculair.

De Latijnse naam stamt van het Romeinse Jovis Glans wat Jupiters Eikel betekent. De naam walnoot stamt uit het Germaans en dat betekent: buitenlandse noot. Dus is deze boom misschien wel de "oudste" exoot.

De bomen zijn vooral bij oude boerderijen te vinden. Men plantte ze daar aan om muggen te verjagen, net als de Eucalyptus nu (in warmere gebieden).

Om een goede vruchtendracht te krijgen, worden verschillende notebomen bijeen geplant. Ze nemen dan enorm veel ruimte in, want één boom kan wel tot 18 meter hoog worden! Een oplossing is dan bijv. de Juglans Regia "Buccaneer", een gezonde variëteit, die geen andere noten nodig heeft om een goede vruchtendracht (bestuiving) te krijgen.

Het notenhout is van uitstekende kwaliteit. Meestal komt dit hout uit Frankrijk waar men er in de Eerste Wereldoorlog geweerkolven van maakte. Exclusieve meestal oude auto's hebben Circassisch (Perzisch/Iraans) notenhout verwerkt in bijv. dashboards.

De noot heeft verder een bijzondere onhebbelijkheid: hij kan moeilijk samenleven met bijv. de Rhododendron. De boom mag verder niet gesnoeid worden in het voorjaar net als de esdoorn vanwege "bloeden". De beste snoeitijd (hoewel er eigenlijk niet gesnoeid hoeft te worden) is in december, als het niet vriest of in de zomer als de boom in het blad zit.

De boom kan het beste in november geplant worden, of eventueel in februari/maart. Zo'n zeven jaar na het planten kan u de eerste vruchten van deze langzaam groeiende boom verwachten.

De bolster kan gebruikt worden om wol te verven, in een okergele kleur.

Verder neemt de Walnoot wraak als de noten hardhandig uit de boom worden geslagen, dan worden er in dat jaar meer meisjes dan jongens geboren.

 

terug naar encyclopedie

 

Laurier

 

Laurier is ons allen bekend uit de Griekse cultuur. De sportlieden werden bestrooid met jonge takken van de Laurier. De winnaars werden gekroond met een lauwerkrans (uit jonge twijgen gevlochten kroon). Verder zal iedere keukenprins of prinses, laurierbladeren in de kruidenkast van de keuken hebben staan. En de laatste tijd vindt de Laurier, op stam of in vorm gesnoeid, gretig aftrek.

Of zou legende een rol spelen. Een nimf veranderde in een Laurier om aan de god Apollo te ontsnappen. Later werd de plant aan de goden toegewijd, vanwege het aroma en de kracht. Bij godsdienstige riten speelde de Laurier ook een belangrijke rol. Ook keizers werden met lauwerkransen gekroond, zij waren tenslotte ook halfgoden.

De plant komt voor in het Middellandse Zeegebied. De struiken kunnen daar wel 8 meter hoog worden. Op de Canarische Eilanden zijn grote, honderden jaren oude bossen met daartussen veel laurierstruiken en -bomen. De bladeren zijn glanzend en leerachtig. In het voorjaar verschijnen gele bloemen, die één of tweehuizig zijn. De vruchten, zijn glanzend zwart en hebben één pit.

De plant is in de volle grond zeer onvoorspelbaar. Het ene jaar vriezen ze af tot bij de grond en komen in het voorjaar vanuit de basis weer omhoog. Terwijl ze in een ander jaar (met vergelijkbare winter) geen enkele schade hebben opgelopen. In mijn straat staat een Laurier al zeven jaar zonder enige beschutting en hij is al drie meter hoog.

De plant op een beschutte plaats uitpoten is zeer verstandig. Ook deze wintergroene plant heeft een hekel aan droge, koude winter en voorjaarswind (meestal uit 't oosten). Eventuele vorstschade netjes met een snoeischaar wegknippen in het voorjaar is het enige onderhoud. De plant groeit daarna ook compact.

Een lelijk verschijnsel zijn de zwarte bladeren, dit zwart maakt niet de plant maar roetdauw. De roetdauw "leeft" van de uitwerpselen van schild of dopluizen.

Er is nog een sterke soort naast Laurus Nobilis, te weten Laurus Lansetiana. Deze heeft wilgachtige bladeren, die mooi gegolfde randen hebben.

 

terug naar encyclopedie

 

Maclura Poncifera

 

De Maclura is een grote struik, die tot een boom kan uitgroeien. Hij heeft scherpe doorns en wratachtige vruchten, die een beetje op een grote sinaasappel lijken. Er zijn zowel mannelijke als vrouwelijke planten nodig om vruchten te krijgen. Hij kan temperaturen verdragen tot -15°C

 

terug naar encyclopedie

 

Magnolia Grandiflora

 

Bij iedereen zijn de Magnolia's bekend. De bomen of struiken, bijna ieder voorjaar hun prachtige bloemen laten zien. Helaas vallen veel van deze bloemen ten prooi aan de vorst. De meeste soorten hebben alleen hun prachtige bloei als pluspunt.

Een helaas weinig bekende soort is de Magnolia Grandiflora. Hij heeft zoals de naam aangeeft grote bloemen, bestaande uit 6 leerachtige bloembladen, die een doorsnede tot 25 centimeter kunnen hebben. De bloemen zijn eerst lichtgeel en verkleuren later naar wit. En de geur is heerlijk. Nog een voordeel, hij bloeit niet in één keer met alles of niets, nee hij verkiest over een lange periode van minder uitbundige bloei. Een nadeel tot slot: het duurt vaak 10 tot 15 jaar voordat de bomen gaan bloeien, maar er zijn echter ook planten bekend, die eerder bloeiden!

In de meeste winters laat de boom zijn prachtige leerachtige bladeren zitten, kortom een sierraad voor een grote tuin. Hij verdraagt snoei goed, zo goed als hulst. Maar pas op want hij bloeit op eenjarig hout!

 

Vermeerderen uit zaad. Er zijn zelfs kruisingen ontstaan in een Nederlandse tuin, waar meerdere soorten stonden. De zaden groeien in een vruchtdoos, die eruit ziet als een gezwel. De vruchtdozen dienen te worden gepeld en na een koude behandeling (zaad een paar weken in de koelkast in vochtig zand), kunnen ze worden uitgezaaid.

 

De beste plaats voor deze planten is een tuin op het zuiden. De zonminnende planten houden van droogte. De planten komen uit woestijn of steppeachtige gebieden en verdragen in de winter absoluut geen vocht en tijdens de zomer hoeft de grond ook niet al te vochtig te zijn.

Het liefst uitplanten als de grond al redelijk is opgewarmd (in het late voorjaar, begin zomer).

Jonge en kleine planten kunnen worden afgedekt met een glasplaat.

Niet mulchen, want mulch houdt te veel vocht vast. De planten kunnen ingepakt worden met vliesfolie of tijdelijk worden beschermd met noppenfolie, maar als de planten goed zijn geplant (verhoogd plantbed) in een uiterst doorlatend grondmengsel zal voor de meeste van deze planten geen de winter geen probleem zijn.

Een ver overstekende dakrand op het zuiden is helemaal een voordeel.

 

terug naar encyclopedie

 

Morus of Moerbei

 

De moerbei hoort tot het geslacht van de Morulae, de plant hoort echter niet tot de familie van de Morulae.

De Morus Alba en de Morus Nigra doen het zeer goed in de Nederlandse tuin. Helaas is de vraag naar deze planten erg klein. Vroeger mochten ze door de gewone man niet eens gebruikt worden, dit was alleen aan de adel en geestelijkheid voorbehouden. De edelen en de geestelijken lieten zich de heerlijk zoete vruchten goed smaken. De vruchten gisten erg snel en konden daarom alcohol bevatten. Het gewone volk zou wel eens snel ontvlambaar kunnen worden door de alcohol en de maatschappij zou instabiel kunnen raken. Dit was dan ook de achterliggende gedachte van het verbod op aanplanten, ingesteld door de adellijken en geestelijken.

De moerbei kan temperaturen verdragen tot -15°C.

 

terug naar encyclopedie

 

Musa Basjoo

 

De Banaan wordt vaak boom genoemd, maar dat is de Banaan zeker niet. Hij heeft een dikke wortelstok, die zich vaak ondergronds verplaatst. De bladeren groeien als bij een prei (hoewel hij er geen familie van is) en zijn nogal gevoelig voor sterke wind. Ze scheuren dan en dat komt de schoonheid niet ten goede. De plant vraagt verder een vochtige goed gedraineerde grond die vol met voedingsstoffen zit.

Een Banaan in de volle grond in onze Lage Landen doet wel zeer subtropisch aan.

Je kunt Bananen als de bekende Musa Ensete ieder jaar uit zaad opkweken en als eenjarige kleine Banaan houden en (eventueel) laten overwinteren in een kuip, maar hij vraagt veel opslagruimte.

Maar er is een "winterhard" alternatief: de Musa Basjoo, afkomstig uit Japan. Het is de enige Musa vertegenwoordiger, die met veel bescherming de winter door te krijgen is. Deze soort Banaan wordt in Japan gekweekt voor de vezels.  De plant dankt zijn naam aan het doek genaamd "bashofu". Dit doek werd gebruikt om bijvoorbeeld boeken te binden.

Alle Bananen houden van een zeer voedselrijke grond. Voordat je een Banaan plant moet er een groot gat van 90 x 90 x 90 cm gegraven worden. Daarin moet compost, ruige mest, bladaarde, beender-bloedmeel, en gewone tuingrond worden gemengd. Dit mengsel houdt zowel vocht als voedingsstoffen vast en dat is wat de banaan verlangt. Let er wel op dat de grond doorlatend moet blijven!

Musa Basjoo moet goed beschermd worden, want de bovengrondse delen vriezen altijd weg als je de plant alleen maar mulcht. Blad kan maar een enkele graad vorst verdragen. Daar de plant voor een groot deel uit water bestaat bevriezen de cellen direct en het blad gaat al bij - 2ºC ten gronde, zelfs al duurt die vorst maar een kwartiertje. Ook de "stam" heeft heel snel te lijden van vorst, maar omdat de "stam" domweg dikker is duurt het wat langer voordat de vorst binnenin is gekomen en de "stam" helemaal verpapt.

De wortelstokken lopen echter ieder voorjaar weer uit. Goed inpakken met dikke laag stro geeft de plant een groei voorsprong in het voorjaar. In Engeland hebben we een leuk idee gezien: de plant in het najaar inpakken met stro, maar om de stro een oude typisch Engelse schoorsteenpijp plaatsen. In Nederland zullen die schoorstenen moeilijk te verkrijgen zijn, maar een alternatief kan een dikke gresbuis zijn. De binnenkant van een dergelijke buis moet wel gevuld worden een isolerend materiaal. En deze vorm van inpakken heeft alleen effect bij een zachte winter. Dus als een stuk van de "stam" intact blijft zal de plant nog forser uitgroeien. En vergeet niet te zorgen voor bescherming van de wortelstokken d.m.v. mulch. Zorg altijd voor een dikke laag mulch op alle wortelstokken!

Als je heel geen moeite je teveel is kunnen de "stammen" geheel worden ingepakt, de kans bestaat dan dat de plant (op de bladeren na) in tact blijft en dan is een bloeiwijze niet uitgesloten! 

Let in het voorjaar op late nachtvorsten. De jonge bladeren kunnen absoluut niet tegen vorst en beschermen tegen vorst (gedurende de nacht) is dan wenselijk, alles wat maar een beetje isoleert voldoet.

Om de plant een beetje voorsprong te geven is een dikke mest mulch van paardenmest heel geschikt. De paardenmest zorgt voor broei en levert natuurlijk ook nog eens voeding.

In het voorjaar kunt u de dode plantenresten weghalen, en stevig mesten met mest /beendermeel, want de plant is een veelvraat. U zult dan in het hart van de "stam" "leven" zien, het binnenste voelt stevig aan en heeft een rosachtige kleur.  Er zullen zich 4 tot 8 enorme bladeren ontwikkelen. Eerste zie je het blad opgerold uit de "stam" komen en langzaam rolt 'ie zich uit tot een tot 1,5 meter groot blad en dit kan in een goede zomer iedere 10 dagen gebeuren. Een geweldig schouwspel!

Na enkele jaren kan de plant tot 4 meter hoog worden.  Ook tijdens het groeiseizoen vindt deze plant een goede scheut vloeibare mest heerlijk, stop met mesten in juli.

Hij neemt veel plaats in, zowel de grote bladeren als de uitlopers nemen op den duur enkele vierkante meters in beslag. Het kan zelfs zijn, dat de plant bloemen en zelfs vruchten vormt, maar die zijn (helaas voor de liefhebber) niet te eten.

 

De bloemen komen alleen als de plant helemaal vorstvrij is gehouden, iets wat in Nederland helaas erg moeilijk is. De bloem komt uit de "stam" als er zich na de grote bladeren en aantal kleinere bladeren ontwikkelen. Eerst ziet u een paars steenachtig object tevoorschijn komen. Dit paarse object (mannelijke bloem) hangt aan een groene "tak" die almaar doorgroeit totdat het object naar beneden komt te hangen. geleidelijk krult zich een deel van het paarse object zich om en hierachter ziet u een rij vrouwelijke bloemen. Uit die bloemen zullen zich de oneetbare bananen ontwikkelen. De banaantjes zijn kleine en groen, met daarin zaden. De "stam" waaraan de bloeiwijze was gaat dood, maar nieuwe scheuten groeien vrolijk door.

De plant is zeer gevoelig voor wind, de bladeren scheuren aan alle kanten als de plant wordt blootgesteld aan wind, dus zorg voor een zeer beschutte plek om een mooie plant te kweken. Hij houdt van een warme plaats, maar te veel zon doet de bladeren lelijk rood verkleuren, dus een mooi beschutte plaats in de halfschaduw is perfect.

 

Vermeerderen: delen van de wortelstokken. Doe dat altijd in het voorjaar en alleen bij zeer fors uitgegroeide exemplaren.

 

In China is een nieuwe soort ontdekt: Musa Hookerii. Er zijn nog geen ervaringen mee, maar het is waarschijnlijk, dat deze Musa ook wat vorst kun verdragen. De plant is afkomstig uit het Noordoosten van India, hij groeit in de bergbossen van de Himalaya op een hoogte van ongeveer 1800 meter. Net als de Musa Ensete heeft deze Banaan een mooie rode basis in het blad en verder zouden de vruchten van deze soort eetbaar zijn, dit in tegenstelling tot de Musa Basjoo.

 

terug naar encyclopedie

 

Nandina Domestica

 

Een langzaam groeiende heester uit China en Japan. Aan de bloemen is goed te zien dat deze plant tot de Berberis-familie hoort. Hij bloeit in de zomer, bij een aantal cultivars volgen er mooie bessen. Verder is de bladkleuring in het voorjaar prachtig en in het najaar is de verkleuring spectaculair. De plant geeft een  Oosterse sfeer in de tuin. Hij is vrijwel winterhard, alleen bij langdurige ijzige wind verliest de plant zijn blad. Ik heb de plant nooit afgedekt. Voor de zekerheid zou hij in vliesfolie gepakt kunnen worden.

Hij houdt van een zonnige tot halfbeschaduwde plek in goed gedraineerde grond.

Vermeerderen uit zaad of kopstekjes nemen en bij 25-30ºC bewortelen.

 

terug naar encyclopedie

 

Opuntia Humifusa

 

Al jaren staat er een Opuntia in mijn tuin, mijn eerste reactie: "Dit kan niet, een cactus in de vollegrond, laat me niet lachen!"  De planten nam ik mee van een vriend uit Holbæk (Denemarken). Hij zei: "Deze cactussen heb ik al jaren buiten staan." Zelfs deze betrouwbare vriend deed me het experiment met frisse achterdocht beginnen.

Nu, het is een betrouwbare bloeigrage bondgenoot. Ieder jaar komen er meer mooie grote gele bloemen in de Opuntia.

's Winters is het echter net een oud verschrompeld mannetje/vrouwtje. Je denkt dan al gauw: "Zou hij/zij het halen?"

Veel van deze soorten stammen uit Amerika en de Opuntia Compressa is zelfs ingeburgerd op sommige plaatsen in Zwitserland.

De plantjes worden ongeveer 20 cm hoog, en bloeien elk jaar rijker, de grote gele bloemen ontluiken in juni en juli. Alleen na een bijzonder strenge winter wil de bloei achterblijven, omdat dan ook de schijven beschadigd raken.

Deze eigen winterharde schijfcactus kent nog een paar "echte" cactussen bijv. Tephrocactus Russelli en Opuntia Gracilis deze zijn misschien iets winterhard, maar bij perfecte drainage meer dan het proberen waard!

 

In de Kew Gardens zagen we de volgende Opuntia soorten: O. Boldingii, O. Haematocarpa, O. Lindheimeri, O. Linguiformis, O. Macrocentra. Deze waren uiteraard op perfecte plaats uitgeplant en we nemen aan, met sublieme drainage (Kew Gardens kennende).

Op andere plaatsen in Nederland wordt diverse andere Opuntias gekweekt. Hieronder een aantal van de meest winterharde of iets minder winterharde maar wel mooie soorten, deze laatsten verdienen dan wel een glasplaat in de winter: O. Angustata, O. Antillana, O. Armata, O. Atrispina, O. Basilaris humistrate, O. Basilaris Lubrica, O. Corrugata, O. Erinacea Utahensis, O. Fragilis, O. Grandis, O. Lagunae, O. Littoralis, O. Lubrica, O. Ovata, O. Phaeacantha Phaeacantha, O. Phaeacantha Camanchica, O. Phaeacantha Discata (zeer grote schijven), O. Phaeacantha "Longispina", O. Pottsii, O. Scheeri, O. Stricta, O. Woodsii.

 

De genoemde soorten zijn het proberen waard, echter lang niet alle cactussen zijn gemakkelijk te verkrijgen op de Opuntia Humifusa na. Zaden zijn wel te verkrijgen vooral vanuit de V.S, de bakermat van deze planten. Het importeren van planten vanuit de V.S. naar Europa vereist nogal wat (kostbare) handelingen.

Vermeerderen: De planten zijn zeer gemakkelijk te vermeerderen. De schijven wortelen als vanzelf: schijf netjes afknippen of afsnijden de wond een paar dagen laten drogen en daarna oppotten in arme goed doorlatende grond. Het is mij zelfs gelukt om de plant in de volle grond te vermeerderen. Beter is het om de jonge planten het eerste jaar binnen te overwinteren op een lichte koele plaats.

 

terug naar encyclopedie

 

Passiflora

 

De Passiebloem is in de tropen wat voor ons de Clematis is. De Passiebloem (bijna allemaal afkomstig uit Amerika) is van tropische oorsprong, maar er zijn Passiebloemen die onze winter kunnen verdragen.

Passieflora Caerulea is eigenlijk de enige vertegenwoordiger die redelijk winterhard is. Tot 15 graden onder nul zijn er weinig problemen, behalve wanneer de vorst diep de grond in "duikt" en de laatste restjes waar hergroei zou kunnen plaatsvinden doodt. Daarnaast moet de bodem zeer goed gedraineerd zijn en toch veel voedsel bevatten. De plant zal zich zeer goed herstellen, zelfs al is hij tot in de grond bevroren. Rooi een schijnbaar dode plant niet te snel. Beter is de plant af te dekken met bijv. een laag blad.

De passiebloem is een klimplant, die niet zelf rankend is, hij heeft dus steun nodig om in te klimmen.

De Passieflora Caerulea is ruim verkrijgbaar, heeft blauwe bloemen en in een warme zomer zullen de oranje-geelachtige eivormige vruchten verschijnen. De bladeren zijn handvormig, donkergroen en glanzend en ze zullen ook bij een paar graden vorst blijven zitten. De groeikracht is enorm en er worden talloze bloemen gevormd, tenminste als er voldoende zonneschijn is.

De Passiebloemen zijn gemakkelijk uit zaad op te kweken en ook stekken is geen probleem.

Er zijn nog een paar andere soorten waarmee geëxperimenteerd kan worden, maar dan is extra afdekken belangrijk.

P. Caerulea "Constance Elliot", de bloemen zijn groot ivoorkleurig en geurend, de vruchten zijn oranje gekleurd, zeg echt wit. Iets minder wit is P. Caerulea "Alba".

P. "Purple Haze" moet iets wat meer winterdek krijgen dan de voorgaande, maar u wordt beloond met prachtige donker paarse bloemen van deze kruising tussen P. Caerulea x P. Amethist.  De bloemen worden gevolgd door eetbare vruchten.

P. Incarnata verdient ongeveer evenveel winterdek als "Purple Haze". De kleur van de ongeveer 5 centimeter grote bloemen is lilaroze. Deze Noord-Amerikaanse Passiebloem wordt als geneeskrachtig kruid gezien tegen stress, maar bij het zien van deze beauties hoeft u niet eens een drankje te maken of een pilletje te draaien.

P. Ampullacea afkomstig hoog uit de bergen van de Andes (Equador), met klokvormige bloemen en de vruchten zijn smakelijker dan de caerulea.

P. Foedita een zeer variabele plant met witte, roze, of blauwe bloemen.

P. Herbertiana komt uit Australië heeft oranje of groen-gele bloemen, groeit zeer snel.

P. Morifolia groen-gele of wit-mauve gekleurde bloemen.

P. Rubra geelgroen blad soms bond, kleien crèmewitte of lichtgele bloemen gevolgd door rode vruchten.

P. Suberosa groengele bloemen gevolgd eetbare paarse vruchten.

P. Gracilis, een éénjarige passiebloem kan tot 1,8 meter hoog worden. Drie centimeter grote witte bloemen gevolgd door veel vruchten

 

terug naar encyclopedie

 

Phoenix

 

Sommigen nemen een gok met de Phoenix Canariensis, de Canarische Dadelpalm. Dat is alleen vrijwel tot mislukken gedoemd. Volgens enkelen zou deze palm gedeeltelijk winterhard zijn, maar dat is deze waarschijnlijk niet.

De Phoenix Dactylifera zou dat wel meer zijn. Deze palm is al 5000 jaar in cultivatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ze worden tot 30 meter hoog en de grijzige bladeren wijzen afwisselend naar boven en naar de grond, waardoor de kroon rond lijkt.

 

terug naar encyclopedie

 

Phormium Tenax

 

De gemakkelijke en zeer decoratieve Nieuw-Zeelandse Phormium Tenax mag eigenlijk in geen tuin ontbreken. De grasachtige bladeren werden voor het sterke vezels gekweekt. De bladeren geven ook de meeste sierwaarde.

Ze groeien op alle mogelijke plaatsen van zon tot bijna schaduw, van tamelijk droog tot vochtig.  De meeste Phormiumsoorten houden (P. Colensoi houdt van droogte) van een goed gedraineerde vochtige grond. Ze kunnen goed tegen zilte zeewind.

De beste bruikbare is Phormium Tenax. Deze is veruit het best bestand tegen onze winters. De rode vorm Phormium Purpurascens en de variëteit "Red Edge" zijn op een iets beter beschutte plaats goed bruikbaar.  Ze stellen een vochtige warme plaats op prijs, de grond moet wel goed waterdoorlatend zijn. Een organische mestgift in het voorjaar versmaden ze niet.

In Nieuw Zeeland worden de taaie bladeren soms tot 3 meter hoog, de bloeiwijze steekt daar nog hoog bovenuit. In Nederland zult u het bloeien waarschijnlijk niet zien, ook deze hoogte wordt niet bereikt. Er zijn vele cultivars in omloop, alleen de soort en de rode vorm zijn aan te bevelen. Ze moeten wel beschermd worden door een mulchlaag en bij aanhoudende kou (met wind) afdekken met vliesfolie.

Vermeerderen door delen in het voorjaar. Deel alleen fors uitgegroeide exemplaren.

Onder -12ºC schade aan bladeren. Onder -17ºC ernstiger schade.

 

terug naar encyclopedie

 

Phygelius Capensis

 

Deze mooie vaste plant uit Zuid-Afrika is nog niet zo bekend in de Nederlandse tuinen. Hij is echter vrijwel winterhard, slechts een minimaal winterdek is voldoende. Hij zal u iedere zomer weer verrassen met zijn mooie gele "Yellow Trumpet" of rode pijpvormige "coccineus".

Goed doorlatende grond voldoet uitstekend.

Hij wordt ongeveer een meter hoog.

Vermeerderen uit zaad in het voorjaar of door het nemen van kopstekjes in de zomer (onder glas bewortelen bij 20 - 25°C).

 

terug naar encyclopedie

 

Pinus Pinea

 

Misschien heeft u al eens verbaasd staan kijken, als mensen in Italië stonden te snoepen van de zaden van een Den. Wellicht werd uw nieuwsgierigheid zo gestimuleerd en at u er ook van met als gevolg dat er zaadjes mee naar huis werden genomen en gezaaid.

Er is trouwens nog een gemakkelijker manier om aan planten te komen. Het gebeurt namelijk wel eens dat deze plant als kerstboom wordt aangeboden. Vraag wel uitdrukkelijk om deze boom.

Als de kweker de naam niet weet in het Nederlands heet 'ie de Parasol-Den. En nog gemakkelijker is het om zaden te kopen in Turkse winkels. Probeer het eens, de zaden kiemen snel.

De naalden zijn in het jeugdstadium grijs en worden pas later groener. De boom wordt pas mooi als "ie volwassen is, hij krijgt een mooie kroon en draagt mooie grote eivormige kegels, waarin die eetbare zaden zitten.

Hij kan tot zo'n 9 meter hoog worden en verdraagt vrij veel vorst. Hij houdt van een goed doorlatende grond en een zonnige plaats.

Vermeerderen uit zaad in het voorjaar.

 

terug naar encyclopedie

 

Pittosporum

 

Een leuke plant, die het in de volle grond goed doet is de Pittosporum. Hij groeit meestal struikachtig, soms groeit hij op tot een boom. Het timmerhout is van uitstekende kwaliteit en het hout is hard.

Op jonge leeftijd pronkt de plant al met veel gele bloemetjes in trosjes. Na de bloei ontstaan groene bessen, die later in het jaar oranjegeel kleuren. De grootte van de bessen is ongeveer 1 à 2 cm doorsnede. De zaden in de bessen zijn kiemkrachtig. Als u de bes doorsnijdt ziet of voelt u een kleverige substantie waarin de zaadjes liggen. In het Grieks betekent Pitto (pek of kit) -sporum (zaad) niets anders dan zaad in pek of kit. Deze kleverige stof is bedoelt om zand aan de zaden te doen hechten en zo een goede kieming te bewerkstelligen. Verder wordt hierdoor ook de termijn van kieming gespreid, er kunnen maanden liggen tussen het ontkiemen van het ene en het andere zaadje uit dezelfde bes. De plant is goed te vermeerderen door middel van zaad. Om de jonge planten te beschermen is het goed de plant de eerste vijf jaar te kweken als kuipplant. Daarna kan de plant in de volle grond worden geplaatst, mits hij een mooi wortelgestel heeft. Enige bescherming tegen koude (winter- en voorjaars-) wind is wel nodig.

 

terug naar encyclopedie

 

Poncirus Trifoliata

 

Daar de laatste winters steeds milder werden, durfden we steeds meer planten in de volle grond te zetten. Zelfs een Citrus, te weten Poncirus Trifoliata. Een plant, die gekenmerkt wordt door groene twijgen, haakse vertakkingen en uitzonderlijk grote doorns (tot 5 cm. lang). Het is een wat warrig aandoende plant, maar die toch altijd wel een mooi/vreemd uiterlijk heeft.

De plant komt uit Noord-China waar hij gebruikt wordt als de meidoorn vroeger. De boeren gebruiken hem als afrastering van hun gebied. De doorns doen hun werk uitstekend.

De bloei is mooi en de bloemen geuren volgens de literatuur sterk, net als bij de andere citrussoorten. Maar wij vinden dat niet zo is bij de planten, die onze tuinen staan. De bloemen groeien in de oksels van de doorns op het tweejarige hout. De bloemen zijn wit. Het zal u niet verbazen dat de bloemen worden gebruikt voor de productie van parfums. De vruchten, die in de loop van de zomer volgen, zijn niet zo lekker als de welbekende sinaasappel. Dit zeggen we met enig gevoel voor "understatement". Ook de vruchten geuren, echter niet zoet zoals de bloemen. Het duurt ongeveer acht jaar voordat deze struik bloeit en hij is niet erg geschikt voor snoei, maar hij wordt niet zo groot 2 à 3 meter. Hij is gemakkelijk uit zaad op te kweken. Het duurt wel enkele jaren voordat de plant bloemen en vruchten draagt.

De Poncirus is een zeer sterke plant, die vaak wordt gebruikt als onderstam voor andere citrussoorten.

De andere citrussoorten zijn niet winterhard, hoewel de kumquat wel tegen een stootje kan. Het zou wel heel erg leuk zijn om andere citrussoorten uit te kunnen planten. Wachten, wachten, wachten, maar in Amerika is men bezig om winterharde kruisingen te kweken. Dit gebeurt al sinds 1869, met een zeer mager resultaat. Er werd weinig kiemkrachtig zaad geproduceerd en het zaad wat het deed leek erg op zijn voorouder, dus geen sinaasappel zo winterhard als de Poncirus.

Aardig is misschien wel dat uit al deze proefnemingen de "Citronge" is ontstaan. Deze staan tussen Poncirus en sinaasappel in. De vruchten blijven zuur en zijn alleen als marmelade te gebruiken. Een paar variëteiten: "Rusk", "Morton", "Savage", "Rustic Citrange".

In Amerika is er uiteindelijk een "Citrus" ontstaan, die relatief winterhard is. Waarschijnlijk alleen te gebruiken als leifruit tegen een warme zuidmuur. Een uitdaging zal het zeker zijn, maar op dit moment zijn planten zeer moeilijk verkrijgbaar. Dus om nu een plant te krijgen zal nog een grotere uitdaging zijn, dan het planten van een echte Citrus in de volle grond.

De plant houdt van een goed doorlatende, warme standplaats. Om de vruchten lekker sappig te laten worden is het belangrijk tijdens de vruchtvorming water te geven.

 

terug naar encyclopedie

 

Punica Granatum

 

De Granaatappel komt waarschijnlijk uit Iran/Irak en is via intensieve handel in het Middellandse-Zeegebied terecht gekomen.

De plant is een echt sieraad met zijn smalle glimmende blaadjes. Hij krijgt rode bloemetjes, met een verdikking met kroonblaadjes, die u later terug vindt op de vrucht in de vorm van een kroontje. Dit is een typisch kenmerk van de Punica. Maar ze zijn wel vrij moeilijk in bloei te krijgen. Een warme zomer doet echter wonderen. We hebben hem als kuipplant geprobeerd, maar we vonden hem lastig, want hij houdt van veel water, dus veel water geven!

De plant is niet helemaal winterhard en meestal zal hij bij vorst een stuk invriezen. Een plant herstelt echter snel en geeft in één groeiseizoen 40 tot 60 cm. schot. Ook bij granaatappels in de kuip verdrogen de uiteinden vaak.

Hij verdient dus een zeer beschutte, zonnige en goed gedraineerde humusrijke standplaats. Twee keer per jaar bijmesten doet de plant goed. "s Winters is een goed dek met rietmatten gevuld met stro wenselijk. De variëteit "Nana" groeit compact en is beter bestand tegen kou.

Vermeerderen uit zaad in het voorjaar. De jonge planten moeten eerst een paar jaar als kuipplant worden gekweekt.

 

terug naar encyclopedie

 

Rhapidophyllum Hystrix

 

In de vochtige loofbossen van het zuidoosten van de Verenigde Staten groeit de meest winterharde palm Rhapidophyllum Hystrix, vorstbestendig tot -20ºC. Deze laagblijvende soort vormt meestal meer grondscheuten en kan strenge vorst verdragen zonder bladverlies. Verder vormt hij bijzonder scherpe en lange zwarte stekels langs de stam. Als de plant zaden gevormd heeft vallen de zaden vaak tussen de stekels en kiemen daar, maar worden natuurlijk niet groot. Deze palm vormt een lage, dichte pol van waaiervormige bladeren.

De Rhapidophyllum kan volgens de vakliteratuur kan meer dan 20 graden vorst verdragen. Dit lijkt veel winterharder dan de Trachycarpus, want die 20 graden vorst zijn over een korte vorstperiode gemeten. Daarbij is ook van belang dat de Rhapidophyllum in het natuurlijk verspreidingsgebied extra suikers aanmaakt in de hete zomers, die de palm beschermen tegen de koude. Zonder hete zomer gaat dat dus niet en 2 weken lang 20 graden vorst overleeft geen enkele palm. Een duidelijk voorbeeld van een praktisch verschil tussen natuur en literatuur.

Jonge en daarom nog vorstgevoelige planten groeien traag. Evenals de Sabal Minor heeft deze plant ook veel zomerwarmte nodig. Verder groeit deze palm van nature in de bossen. Dus in de schaduw, maar in ons land dienen ze in volle zon geplant te worden om zo veel mogelijk zonwarmte te krijgen (om suikers aan te maken). Een vochtige grond met veel organisch materiaal is uitermate geschikt voor deze palm.

 

terug naar encyclopedie

 

Sabal Minor

 

De stamloze Sabal Minor, vorstbestendig tot -14ºC,  kan in zijn verspreidingsgebied (het zuidoosten van de Verenigde Staten) temperaturen overleven die daar soms tot -25°C kunnen dalen. Dan bevriest wel het bovengrondse deel.

Die 25 graden vorst in de V.S. zijn wel anders dan bij ons! De plant verdient zeker bescherming. Want de 25 graden vorst zijn over een korte vorstperiode en het gaat om een droge koude – geen natte Nederlandse situatie dus - en zelden sneeuw. De palm heeft daar trouwens in het zuidoosten van de V.S. tijdens de hitte in de zomer extra suikers aangemaakt, die de palm beschermen tegen de vorst.

Na een hete zomer komen vanuit de diep verscholen groeipunten weer nieuwe bladeren. Voor een voorspoedige groei is een hete zomer een voorwaarde, iets wat in Nederland niet vaak voorkomt. De plant is zeer gemakkelijk uit zaad te kweken, maar hij groeit onvoorstelbaar langzaam, omdat wij vaak te koele zomers hebben en als dan ook de mooie grijsgroene bladeren in de winter de geest geven……

Hij houdt verder van een goed bemeste grondsoort, die doorlatend is maar wel vocht vasthouden kan. Een plantgat met veel compost, mest, bladaarde gemixt met gewone tuingrond is wenselijk. Daarin zal de plant zich goed ontwikkelen. Hij vormt geen bovengrondse maar ondergrondse stam. De wél stamvormende broer Sabal Palmetto (-7ºC) of  koolpalm is voor gokkers ook de moeite waard om eens te proberen.

 

terug naar encyclopedie

 

Soleirolia Soleirolii

 

Een kleintje, zo'n slaapkamergelukplantje, maar wel een dankbare. Het slaapkamergeluk kan misschien ook geluk brengen in de tuin. Het is namelijk een zeer dankbare bodembedekker, die van een vochthoudende maar niet drijfnatte grond houdt. Verder groeit 'ie het liefst in de halfschaduw, dus een perfecte onderbegroeiing bij andere planten. Hij geeft een mooi effect langs waterpartijen. Slaapkamergeluk heeft geen enkele bescherming aan andere vorstgevoelige planten in de winter, want hij gaat er bij - 5ºC al bruin uitzien. Hij verliest al zijn blad en sterft af, maar zelfs in de winter van 1996 liepen de planten, zij het wat laat, weer vrolijk uit.

Het is goed om de afgestorven plantendelen in het voorjaar te verwijderen. Het blad kan niet tegen mest!

Vermeerderen: door scheuren in het voorjaar.

 

terug naar encyclopedie

 

Trachelospermum Jasminoides

 

Zelden heb ik een plant geroken, die zo exotisch zoet geurt als deze plant. Hij wordt een enkele keer aangeboden als kuipplant. Het is een klimplant, die van nature in Oost-Azië voorkomt. Hij kan ook als bodembedekker dienst doen. Zo gauw als het weer bloei toelaat dan ontluiken de 2cm grote geurende witte bloemen. De geheel wintergroene plant zit vol met de bloemen en die bloeien een lange tijd achtereen. Een ander voordeel van het planten in de volle grond is, dat de plant een koude periode nodig heeft om tot volle bloei te komen.

Uitplanten bijv. vlakbij het terras (vanwege de geur).

Verder is een plaats met goed gedraineerde grond perfect.

Omdat de plant wintergroen is, is afdekken met vliesfolie en/of rietmat aan te bevelen bij aanhoudende vorst. Ook een luchtige mulchlaag over de wortelvoet kan geen kwaad.

 

terug naar encyclopedie

 

Trachycarpus Fortunei

 

De meest geschikte palm voor de buitenteelt is de gemakkelijk verkrijgbare Trachycarpus Fortunei. Deze soort combineert eigenschappen als groeikracht en een grote vorstbestendigheid met een matige gevoeligheid voor natte koude. De Trachycarpus behoudt zijn vorstbestendigheid het gehele jaar door - ook een late nachtvorst of een vroeg invallende winter veroorzaakt geen schade. Uit proeven is gebleken dat de Trachycarpus plotselinge temperatuurdalingen (tot –15 graden) kan weerstaan.

Deze palm kan zich dus met winterbeschutting in ons klimaat handhaven, zeker bij een zorgvuldig gekozen warme en voedzame groeiplaats, die ook tegen de (vooral noorden- en oosten)wind beschut is.

De Trachycarpus komt oorspronkelijk uit de beboste gebieden van Centraal China en Noord-lndia (tot boven de 2000 meter). De Trachycarpus heeft later zijn weg gevonden naar de koelere gebieden van West-Europa en de rest van de wereld dankzij Robert Fortune, die op een van zijn reizen naar China zaden naar Europa mee nam.

Op plekken waar de winters niet al te streng zijn, treft men ze tegenwoordig als vanzelfsprekende beplanting aan, vooral langs de Atlantische kust tot aan Normandië, en van Zuid-Engeland tot aan West-Schotland. Maar ook bij een aantal beschut liggende Zwitserse meren voelt Trachycarpus Fortunei zich goed thuis. Op goed beschutte standplaatsen kan deze palm zelfs nog veel noordelijker voorkomen.

De Trachycarpus Fortunei behoort tot de palmen met de waaiervormige bladeren. Deze kunnen een doorsnede van bijna 1 meter bereiken. De stammen van jongere exemplaren zijn geheel bedekt met een dikke laag juteachtige vezels. Zaailingen groeien de eerste jaren traag, maar wanneer zich eenmaal een stammetje gevormd heeft, kan de hoogte in vijf tot tien jaar met 1 meter toenemen. Pas bij een hoogte van 1 tot 2 meter verschijnen in het voorjaar de mooie oranjegele bloeiwijzen.

De Trachycarpus is tweehuizig en daarom komen er palmen met uitsluitend mannelijke en met uitsluitend vrouwelijke bloemen voor. De vrouwelijke bloemen worden na bestuiving in de loop van de zomer gevolgd door trossen niervormige zaden. Bij rijping verkleuren deze naar blauwzwart. De zaden kiemen goed, mits ze vers zijn. De palmzaailingen houden van een lichtbeschaduwde plaats om zich goed te kunnen ontwikkelen.

De cultuurvariëteit Trachycarpus Wagnerianus (vorstbestendig tot -16ºC) onderscheidt zich van de Trachycarpus Fortunei door stugge, rechtopstaande en kleinere diepgroene bladeren die maar 30 tot 40 cm lang zijn. De groei van deze mini-Trachycarpussen gaat wat trager maar de vorsttolerantie is vrijwel gelijk, zoniet groter. De bladeren blijven wel mooier dan die van de Trachycarpus Fortunei. Grotere exemplaren van de Trachycarpus Wagnerianus zijn alleen nauwelijks verkrijgbaar.

Andere soorten uit dit geslacht zijn:

Trachycarpus Princeps (-12ºC), Takil (-17ºC),

Oreophilus (-4ºC), Martianus (-7ºC) en Latisectus (-9ºC).
Chamaerops Excelsa is een oude naam voor de Trachycarpus, die nog steeds door veel mensen en zelfs een aantal kwekerijen wordt gebruikt. Deze naam is echter fout.

 

terug naar encyclopedie

 

Yuccas

 

Ook Yucca’s geven een extra dimensie aan een tuin met succulenten en cactussen. Er worden sinds lange tijd al Yucca's gebruikt in de Hollandse tuinen. De Yucca Filamentosa wordt veel toegepast. Deze plant is volkomen winterhard en geeft met zijn puntige bladeren een redelijk woestijngevoel, maar het kan beter.

Iets minder vaak wordt de Yucca Gloriosa toegepast, deze breed uitgroeiende Yucca is minder winterhard dan de vorige maar overleeft toch vrijwel alle Nederlandse winters, zeker als voor goede drainage is gezorgd. De Yucca Gloriosa maakt na verloop van tijd een stam. Er is ook een bontbladige (geelgroen) op de markt: Yucca Gloriosa "Variegata".

Al de genoemde Yucca’s maken prachtige bloemstengels in de zomer, mits de zomer wel lekker warm en zonnig is.

Andere zeer opvallende stamvormende Yucca's zijn de Yucca Thomsoniana, na zeer lange tijd wordt er een meer dan manshoge stam gevormd. De afgestorven bladeren blijven rond de stam zitten en hangen schuin naar beneden, de plant wordt zo goed beschermd tegen de elementen.

De Yucca Rostrata groeit misschien nog minder snel dan Yucca Thomsoniana, de bladeren van deze soort zijn blauwgroen, een prachtige soort. Deze laatste twee zijn echter niet bestand tegen onze koudste winters en moeten in barre tijden beschermd worden met luchtig isolatiemateriaal en wel van top tot teen. Ik raad aan de isolatie weg te halen als de ergste vorst voorbij is. Voor de gokkers onder ons is wellicht de "Joshua Tree" ofwel Yucca Trevifolia uit te proberen, maar zoals u zult begrijpen kan deze Yucca nog minder vorst verdragen dan de voorgaande twee, maar misschien op een optimale plaats...

Tot slot twee kleine Yucca's, die geen stammen vormen. Ten eerste Yucca Glauca, deze blauwgrijze mooie Yucca heeft bewezen tamelijk winterhard te zijn. Er zijn zelfs planten die zaad hebben gevormd in Nederland. Het moet nog blijken of het zaad kiemkrachtig is, maar het is een mooi teken.

De tweede lage Yucca is Yucca Baccata, deze heeft een totaal ander voorkomen dan Yucca Glauca. Hij groeit veel meer gedrongen, heeft breder blad groen met roodbruine streep. Yucca Baccata eist een optimale plek in de zon met optimale drainage.

 

terug naar encyclopedie

 

Aronskelken

 

Deze bekende plant kent een licht wrang verhaal: de Aronskelk is vooral bekend als grafbloem. De Aronskelk komt gelukkig weer terug in de meer eigentijdse interieurs en de plant wordt ook steeds vaker als potplant gezien.

Deze knolplant is in ons klimaat niet winterhard. Alleen door hem diep te planten, 15 cm in de grond, winnen we wel wat terrein op de vorst. Als in de herfst het afgevallen blad er ook nog overheen wordt gegooid dan redden ze het wel.

Een andere manier om de Aronskelk te laten overwinteren is om de kluit van de plant in de vijver af te laten zakken tot onder het vorstniveau. Na de vorst kan de kluit dan weer omhoog gehaald worden.

De Aronskelken worden ieder jaar groter en groter en er zal er een ongekende bloei zijn. De steriele zuivere witte kleur geeft de tuin een status van allure. De aronskelk wordt wel 120cm hoog met blad tot op 60 –70 centimeter hoog. Een lust voor het oog!

Bij deze planten zijn zowel droogte als vochtminnende planten. Er bestaan veel Aronskelken en veel van deze planten verlangen een tropisch of subtropisch klimaat.

Er zijn echter drie uitzonderingen: Slangewortel (Calla Palustris), Kalmoes (Acorus Calamus) en de Italiaanse Aronskelk (Arum Italicum), die inheems zijn. Kalmoes is een uit Azië geïmporteerde plant, met niet zo veel sierwaarde, maar hij is nuttig omdat hij water zuivert. Ook de Slangewortel is een oeverplant, die van natte voeten houdt. Hij is erg zeldzaam, maakt mooi blad en aparte bloemen in het voorjaar. De gevlekte Aronskelk, die eigenlijk alleen in het zuiden des lands voorkomt, geeft ook mooie bloemen, die later gevolgd worden door oranje bessen. Het is een opvallende verschijning in de Zuid-Nederlandse bossen en als tuinplant slaat hij geen slecht figuur.

Arisarum Proboscideum is een kleinood voor een beschaduwde plaats. Een heel klein plantje, wat een mooi klein bloemetje met een lange "muizen" staart maakt. Het kleurverloop is van bijna zwart naar crème wit.

De (sub)tropische Aronskelken zijn nog opvallender. Zantedeschia Aethiopica  houdt van een voedzame grond, waaruit dit knolgewas met enorme kracht omhoog schiet met decoratief blad en prachtige grote bloemen. Variëteit "Crawborough" is behoorlijk winterhard evenals "Green Goddess" die wat groter wordt, maar een minder opvallende bloem heeft, maar daarentegen weer een opvallende grote witte vlek op z'n blad heeft. Evenals de inheemse Arum maakt deze ook bessen, knip daarom de bloemen niet direct af. De plant verdient wel een stevig winterdek, wat pas gelegd moet worden als de bladeren door de eerste vorst zijn geveld. 's Winters mag de plant niet te nat staan, 's zomers houdt hij echter wel van een vochtige warme zonnige plek. De plant kan ook onderwater overwinteren (als ze 's zomers in de vijver staan) de groeipunt mag niet bevriezen, dus zeker 25 cm. onder water overwinteren.

Van iets meer schaduw houden de uit Japan afkomstige Arisaema's. Ook deze maken heel aparte  mooie bloemen. Ze verdienen ook een winterdek. A. Candidissimum, A. Consanguineum, A. Flavum , A. Urashima en A. Helleborifolium zijn een paar mooie soorten. De laatst genoemde is minder winterhard (uit India) en moet beter afgedekt worden, de bloem is minder sierlijk (stinkt), maar de bladeren zijn wel decoratief. Ze zijn echter niet gemakkelijk te verkrijgen.

Op een droge plaats voldoet Arum Dracunculus goed. Hij maakt een enorme bloem met een donkerbruin schutblad, die tijdens een paar dagen een vreselijke geur verspreidt. Dit lokt vliegen aan, een mooi gezicht maar neus dicht. Wil in de volle zon staan, hoe warmer en droger het is tijdens de bloei, hoe korter en geurender de bloei. Hij hoeft nauwelijks afgedekt te worden.

 

terug naar encyclopedie